Column

Frankrijk moet zijn stal schoonvegen

Van de elf kandidaten bij de Franse presidentsverkiezingen willen er tien dat Frankrijk in Europa meer soevereiniteit krijgt. Neem de euro, zeggen zij: die wordt door Duitsland gedomineerd, waardoor Frankrijk weinig over het beleid in de eurozone te zeggen heeft. Volgens hen moet Berlijn een radicale koerswijziging in de eurozone accepteren. Meer solidariteit, minder austerity. Anders gaat Frankrijk de eurozone uit. Het moet afgelopen zijn met de Duitse dominantie in Europa!

Hoe ironisch. De euro kwam er destijds op aandringen van Frankrijk. Om een eenvoudige reden: Parijs wilde soevereiniteit terug.

De Duitse mark was vóór de euro veel sterker dan de Franse frank. Dat kwam onder meer doordat Duitsland een gedisciplineerde economische en monetaire politiek voerde, en Frankrijk niet. De mark was zo hard en stabiel, dat veel buurlanden van Duitsland blind de beslissingen van de Bundesbank volgden. Als de Bundesbank de rente verhoogde of verlaagde, deden nationale banken in de buurlanden een dag later hetzelfde. De facto regeerde de Bundesbank ook Nederland, Luxemburg, België, Frankrijk en Oostenrijk. Die landen zaten in de D-markzone, zoals Denemarken nu zonder euro de eurozone volgt. Zo profiteerden ze van de stabiliteit van de mark. Voor Belgen of Nederlanders was die monetaire afhankelijkheid geen probleem. Voor Frankrijk wel. De Duitsers waren niet tegen een Europese munt. Maar ze wilden eerst de economieën en begrotingspolitiek van de deelnemende landen langzaam laten integreren, in een soort politieke unie met gezamenlijke besluitvorming. Zolang elk land een andere begrotings- en economische politiek had, dacht Berlijn, zou de euro op drijfzand zijn gebouwd.

En toen, in 1989, viel de Muur. Ineens was de hereniging van de twee Duitslanden hét thema in Europa. De Fransen waren daar niet blij mee. Maar ze snapten dat ze de hereniging ook niet konden tegenhouden. Dus zeiden ze ja, op één voorwaarde: dat de euro werd ingevoerd. Voor de Duitsers was dit een hoge prijs – maar ze waren bereid die te betalen, mits er dan parallel aan de politieke unie zou worden gewerkt. Zo gaf de Duitse eenwording de Fransen de kans om monetaire macht terug te krijgen zónder (wat ze natuurlijk eigenlijk hadden moeten doen) hun economie te hervormen. De euro is de voortzetting van de D-mark. De Europese Centrale Bank is opgezet naar model van de Bundesbank. Maar er is één belangrijk verschil: de Duitsers gaan niet meer in hun eentje over de munt. Daar gaat de ECB over en Frankrijk heeft daar een sterke stem in. Ofwel: Duitsland heeft soevereiniteit verloren bij de introductie van de euro, Frankrijk heeft soevereiniteit gewonnen.

De eerste tien jaar van de euro keek niemand naar de politieke unie om. Toen Frankrijk en Duitsland hoge begrotingstekorten hadden, veranderden ze de regels. Elk euroland bleef doen wat het wilde met zijn begroting. Niemand wilde pottenkijkers, Parijs al helemaal niet. Daarom sloeg de eurocrisis zo hard in: de euro had geen back-up. Daarom ook werd Duitsland economisch nóg sterker en Frankrijk nóg zwakker.

Weer voelt Frankrijk zich kwetsbaar en machteloos in Europa. Weer is de oorzaak dat Frankrijk het in allerlei opzichten minder goed doet dan Duitsland. Maar wéér is de Franse reflex dat Duitsland dan maar moet bewegen, en Frankrijk meer macht moet geven. Er is maar één kandidaat, Emmanuel Macron, die zegt dat Frankrijk zijn stal moet schoonvegen en eindelijk met Duitsland de politieke unie moet bouwen. Alleen zo krijgen de Fransen weer invloed in Europa. Als Macron verliest, heeft Europa een groot probleem.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa