Recensie

De vluchtige invallen van Atte Jongstra

In een bundel overpeinzingen stort Atte Jongstra weetjes en beslommeringen over de lezer uit. ‘Ik kijk op de klok – kan het al? Kwart over vier – Welja.’

Atte Jongstra Foto Holland se Hoogte

We konden alles zijn. In de ochtend stonden we op als schilder, we fietsten naar onze ateliers en schilderden abstract naast figuratief, een foto eronder, een collage ernaast – alles op één doek. In de avond traden we op als performer, beatboxer, dichter, theatermaker. We geloofden niet in het verschil tussen hoog en laag – we pikten uit alle motieven en tijden, citeerden strips, serieuze literatuur, andermans kunstwerken. We droegen de woorden van filmmaker Jean-Luc Godard in ons hart: ‘Het gaat er niet om waar je de dingen vandaan haalt; het gaat erom waar je ze heen brengt.’

Dat waren de gezegende jaren tachtig en negentig, toen het er even op leek dat alle grenzen wegvielen tussen kunstdisciplines. Het postmodernisme, door filosofen als Lyotard, Foucault en Derrida bewierookt, gaf ons de kans om de grote monolithische, modernistische ego’s van kunstenaars en schrijvers af te breken, te fragmenteren en vooral: te negeren als ons dat zo uitkwam.

Voor romanschrijver Atte Jongstra (1956) zijn die jaren vast vormend geweest, hoewel hij dat in zijn nieuwe boek niet vermeldt. Het fluïde tijdperk is een bundel overpeinzingen, waarvan de beste de vage contouren laten zien van iets dat lijkt op een essay.

Jongstra begint met een veelbelovende vraag, ingebed in een onderhoudende vertelling over het schip van Theseus. De Griekse held Theseus ontsnapt, zoals bekend, van Kreta nadat hij de Minotaurus in het labyrint van koning Minos heeft verslagen. Om te voorkomen dat het houten zeilschip waarmee de lange reis naar huis wordt gemaakt wegrot, besluit men steeds één plank in de romp te vervangen. Aan het eind van de reis is er dus een heel nieuw schip ontstaan.

Zo is het ook met onze identiteit, schrijft Jongstra. In de loop van ons leven worden onderdelen vervangen, nieuwe inzichten geboren, oude bij het vuil gezet. Onze identiteit is met andere woorden fluïde. Identiteit is vloeibaar als water, ook die van Jongstra.

Dit zou een mooi vertrekpunt kunnen zijn voor een analyse over bijvoorbeeld vluchtige identiteit in het selfie-tijdperk, over de bedding daarvan in het verleden en wat ons in de toekomst te wachten staat. Kunst, literatuur, muziek, film, economie en politiek – alles kan zijn steentje bijdragen.

Helaas stelt Het fluïde tijdperk na dat veelbelovende begin teleur. Net als in zijn autobiografische roman Worst (2014) – een allegaartje van worstweetjes, gelardeerd met persoonlijke beslommeringen – stort Jongstra in deze bundel een wastobbe over de lezer uit van kunsthistorische en literaire feiten, zelfcitaten uit eerdere boeken en wel of niet gefingeerde, maar volstrekt oninteressante terzijdes met zijn nieuwe geliefde Erminie en nog veel meer.

Blotevrouwenplaatjes

De stukjes gaan van de hak op de tak: van de verbeelding en het verlangen naar de zee (Turner en anderen) naar de verzameling blotevrouwenplaatjes van Louis Paul Boon en mannen die van dikke tieten houden. Van een Nederlandse enclave in België kronkelen we naar Osdorp (waar Jongstra woont), dan weer naar huizen in de vorm van wc’s, de kersenboom in de kunst en Jongstra’s drinkgewoonten: ‘Ik kijk op de klok – kan het al? Kwart over vier. Welja – het is toch een rare dag. Ingeschonken, het glas omhoog: “Jeroen [Bosch – red], daar ga je!”’

Het zou bijzonder kunnen zijn, al die feitjes en weetjes die Jongstra ‘ergens heeft gelezen’, ware het niet dat de schrijver ze – Godard indachtig – nergens naartoe brengt. Het schrilst komt dit naar voren in de passages waar iets bijzonders wordt beweerd. Zo eindigt een mooie overpeinzing over Toulouse-Lautrecs mismaakte uiterlijk en het ongebreidelde geluk dat deze kunstenaar ervoer als hij op zijn rug in zeewater dreef, plompverloren in een platvloerse anekdote over dezelfde kunstenaar, poepend op het strand. Ik rangschik deze onderbroekenlol maar onder het kopje: angst voor emotie.

Jongstra vergelijkt zich graag met de Franse surrealisten, met Louis Aragon die in 1926 schreef: ‘Ik ging voor het toeval, voor haar toverkracht.’ Al flanerend over de Parijse boulevards, in de stinkende stegen rondom de Hallen, de parkjes en paleizen, probeerde Aragon door intuïtie en invallen die toverkracht te vangen. Net zo wil Jongstra flaneren. Net zo wil hij afgaan op zijn intuïtie en op elke inval die hem tijdens het schrijven maar te binnen schiet. Het resulteert in schokbrekerig proza.

De cynicus onder ons zou zeggen: maar dat is precies wat een fluïde identiteit als Jongstra is – het vloeit en vervloeit, zodra je het aanraakt is het weer weg, net als water. Bovendien: wie geen identiteit heeft, kan ook geen gedachte formuleren. ‘Heb ik nu werkelijk iets beweerd wat hout snijdt?’, vraagt de auteur zich op zeker moment af. Wij kunnen deze retorische vraag voor de auteur beantwoorden. Jongstra’s invallen zijn als water: vluchtig en snel. Maar anders dan water zijn ze niet vormend, en ze bezitten geen vitale kracht – integendeel zelfs.