‘Tot een uur of twaalf stond je in je eentje te boenen en te schrobben’

De eerste baan

Historicus en schrijver Geerten Waling (30) werkte naast zijn studie geschiedenis als kokshulp in een eetcafé.

Foto Bastiaan Heus

‘Die geur, ruik je dat?” Waling steekt zijn neus in de lucht. Bier van de tap, frietlucht uit de keuken en de onbepaalde duffe geur van een Amsterdamse bruine kroeg. „Die geur is nog precies hetzelfde als toen”, zegt Waling. Er is sowieso weinig veranderd in eetcafé Rosereijn, sinds hij er twaalf jaar geleden op een koude februaridag voor het eerst binnenliep. „Ik woonde net in Amsterdam en was op zoek naar een bijbaan. Op weg naar de supermarkt zag ik het A4’tje hangen: ‘Kokshulp gezocht.’”

Waling stapt achter de bar, de keuken in. „Zelfs de kok is nog hetzelfde”, lacht hij. „Henk!” Ze schudden elkaar hartelijk de hand, klopjes op de schouder. Urenlang heeft Waling als achttienjarige student geschiedenis voor acht euro per uur in de keuken staan zwoegen. Groenten snijden, broodjes maken, ’s avonds voor- en nagerechten bereiden, afwassen en de borden klaarzetten voor de kok.

Grote schoonmaak

„Ik was een verlegen, maar tegelijkertijd super bijdehand jochie”, vertelt Waling. „Betweterig ook wel, toch Henk?” Bij iedere handeling vroeg hij waarom: ‘Waarom doen we dit zus en niet zo?’, ‘Is dit niet handiger?’ „Henk kon daar heel duidelijk in zijn, als het druk was al helemaal. ‘Je moet gewoon doen wat ik zeg, klaar’, zei hij dan.” Best lastig, vond Waling toen. „Maar het hoort erbij. Achteraf gezien was het juist heel leerzaam.”

Het werk in de keuken beviel hem goed, maar achteraf de keuken schoonmaken, daar keek hij ontzettend tegenop. „Om tien uur ging de keuken dicht. De kok deed zijn schort af en ging hij met een biertje aan de bar zitten. Voor mij moest het zwaarste werk dan nog beginnen.” Alles moest worden schoongemaakt: afwasmachine, de afzuigkap, de frituur, de koeling, de vloer.

„Tot een uur of twaalf stond je dan in je eentje te boenen en schrobben. Deed je iets verkeerd, dan moest het opnieuw. Een hel.” Na twee jaar schoof hij daarom door naar de bediening. „Veel leuker. Mensen zijn nog altijd onder de indruk als ze zien dat ik met vier borden tegelijk kan lopen.”

Uit je elite-bubbeltje

Later werkte hij als studentassistent aan de Universiteit van Amsterdam. In de weekenden bleef hij invallen, ook toen hij het geld al niet meer nodig had. Pas toen hij in Leiden ging promoveren stopte Waling met werken in het eetcafé. „Ik kan het iedere student nog steeds van harte aanraden”, zegt hij. Goed voor je sociale vaardigheden en goed voor je horizon. „Anders blijf je hangen in dat universitaire elite-bubbeltje. In de kroeg ga je met mensen om die je anders niet zou ontmoeten. Mensen die heel anders zijn dan jij.”

Die diversiteit valt nu ook weer wat tegen. Al heeft hij van de week nog gevoetbald op het Cruyff Court in de Indische buurt. „Telt dat mee?” Nee, zegt Waling: „Mensen met verschillende achtergronden en verschillende ideeën, misschien mis ik die wel het meest.”