Massaal in de rij voor de Nachtwacht en de grachten, waarom doen we dat?

Paasdrukte

Dit paasweekend komen er 950.000 toeristen naar Nederland. Ze worden gedreven door ‘ingebakken nieuwsgierigheid’, zegt hoogleraar Jaap Lengkeek.

Winkelend publiek in de Kalverstraat in Amsterdam. Foto ANP

De bollenvelden, de grachten, de Heineken Experience, het Van Gogh museum. Er is weer geen doorkomen aan, dit paasweekend, óveral toeristen. Het NBTC Holland Marketing verwacht er 950.000: 100.000 meer dan vorig jaar. En waarom? Waarom dóén mensen dat, allemaal naar dezelfde plekken om daar allemaal dezelfde dingen te beleven? Gapen naar de Nachtwacht. Ginnegappen op de Wallen. Kou lijden op het strand, want we zouden naar zee gaan, dus we gáán naar zee en wat hebben we een pech met die poolwind. Waarom ergeren de mensen die even geen toerist zijn zich er zo aan?

Jaap Lengkeek (73) denkt al jaren over dat soort vragen na en nog steeds heeft hij geen sluitend antwoord, niet als het om de psychologie gaat. Hij was hoogleraar sociaal-ruimtelijke analyse in Wageningen – toerisme, recreatie, landschapsbeleving, cultureel erfgoed – en schreef onder andere het filosofisch gestemde boek Vakantie van het leven. Sinds hij met emeritaat is doet hij onderzoek naar ontdekkingsreizigers, ook die in de Oudheid.

Ervaringsdeskundige

Vandaar dat hij al snel begint over de schrijver en aardrijkskundige Pausianas (115-180 na Christus), die in twee dikke delen zijn toeristische reizen door Griekenland versloeg, „zeg maar de eerste Baedeker, maar dan erg saai, niet om door te komen”. In een van die delen beschreef Pausianas het bekende Oudgriekse aforisme ‘gnothi seauton’, ken uzelf, een inscriptie in de Tempel van Apollo in Delphi. „Als je wilt begrijpen waarom we met vakantie gaan”, zegt Lengkeek, „ga dan bij jezelf te rade. We zijn allemaal ervaringsdeskundige.”

Lees ook dit stuk over de drukte in Amsterdam: Amsterdam wil de massa’s ‘wegmasseren’

Maar vind er dan maar eens de woorden voor. Moeilijk om verder te komen dan ‘leuk’ en ‘ontspannend’ en ‘er even lekker helemaal uit’. Het is, zegt Lengkeek, altijd al lastig om toegang te krijgen tot de innerlijke motieven van mensen, en zeker ook als het om vakantie gaat. Dus kijkt hij liever naar de sociologische en antropologische kant ervan. En dan zegt hij weer tamelijk psychologisch klinkende dingen als: „Mensen hebben een ingebakken, evolutionair bepaalde nieuwsgierigheid, en die kan door slimme marketing en promotie gemakkelijk worden opgewekt.”

Hij noemt als voorbeeld de tentoonstelling ‘Het Goud van de Thraciërs’, jaren geleden al weer, onder andere in De Nieuwe Kerk in Amsterdam. „Niemand had ooit van de Thraciërs gehoord, maar er was sprake van goud en van een schat, het werd een enorm succes. Busladingen toeristen gingen erheen.”

Mensen zijn gevoelig voor beelden en verhalen, zegt Lengkeek. Dat de hele wereld naar Amsterdam wil is te danken, of te wijten, het is maar hoe je erin staat, aan het „succes van de promotie van Nederland”, en aan wat de mensen die er geweest zijn thuis vertellen. Al die oude huizen, de gevels, de Gouden Eeuw, en dan dat Achterhuis van Anne Frank, dat Joodse meisje, weet je wel, daar móét je écht heen. „Dus staan mensen uren in de rij om een huis te zien dat ze verder op de gracht ook kunnen zien, maar waar niet zo’n verhaal bij is.”

Overlopen steden

En de ergernis van mensen die in Amsterdam wonen, hoe verklaart hij die? „Territoriumgedrag. In al die overlopen steden zie je het. Venetië, Praag, Barcelona. Toeristen hebben het zelf ook: wat jammer dat het hier zo toeristisch is. Het is territoriumgedrag in een specifieke betekenis: je hecht ergens waarde aan en je verdraagt het slecht dat een ander dat ook doet. Je dacht dat je bijzonder was, dat jij deze plek ontdekt hebt, dat die jóú zo aan vervlogen tijden doet denken, en dan blijkt iedereen het zo te voelen. Het is een economisch principe: van wat voor iedereen beschikbaar is, daalt de waarde. Er wordt je iets afgepakt.”

Gaat Lengkeek zelf nog met vakantie? „We hebben een huisje in Frankrijk. Daar gaan we dan heen en dan zijn we weer thuis.” Hij lacht, vol zelfspot. „Dat is de paradox. Vakantie is weg zijn uit je routine en vervolgens zoek je zo snel mogelijk je routine. Je bent thuis en er toch helemaal uit, los van het alledaagse, je normale wereld. Je overstijgt de werkelijkheid, je hebt misschien een gevoel van transcendentie, maar het moet wel veilig blijven, anders ontaardt het in doodsangst.” En ja, hoeveel onveiligheid je aan kunt, hangt af van hoe je bent en van het moment. De een gaat naar de Keukenhof, de ander beklimt een vulkaan. „Maar wel met een reisverzekering.”