Commentaar

Voor je ambitie moet je alles over hebben - maar dat niet

Sportief succes bestaat bij over grenzen gaan. Dat is een geschikt jachtterrein voor wie zich seksueel wil uitleven.

De reeks artikelen die NRC deze week wijdde aan seksueel misbruik in de sport was in veel opzichten choquerend, om te beginnen door de schaal waarop het voorkomt. Een Spaanse turnkampioene. Een Britse profvoetballer. Nederlandse judovrouwen. Een Ierse zwemster. En steeds klonk het relaas van iemand die voor de rest van zijn of haar leven mentaal geïnvalideerd is geraakt, na een jeugd die begon met enthousiasme voor sport en die werd vergald door misbruik door de man tegen wie zo werd opgezien.

Deze sporters besloten over hun schaduw heen te springen en zich uit te spreken over iets waar zij altijd over hebben gezwegen. Niet omdat zij er zelf nog iets aan hebben, maar omdat zij hopen dat ze iets kunnen betekenen voor lotgenoten, in alle geledingen, van de top tot amateurniveau. Een effect van hun openhartigheid is, dat sportkoepel NOC*NSF de aanzet gaf voor onderzoek naar dergelijk misbruik in Nederland, onder leiding van oud-minister Klaas de Vries. Dat is belangrijk. Maar het betekent geen excuus voor de sportclubs om rustig de resultaten af te wachten en dan maar eens te zien wat er verbeterd moet worden om de veiligheid te bieden die je van een sportclub mag verwachten.

Seksueel misbruik van kinderen en jongeren begint een akelig bekend verhaal te worden, in milieus waar kinderen min of meer zelfstandig opereren. Zo bleek recent dat de katholieke kerk en de Britse entertainmentsector ermee te kampen hebben en ook uit de Amerikaanse filmindustrie komen, nog amorfe, getuigenissen. En nu dus de sport. Daar worden jonge mensen door volwassenen gemotiveerd om álles over te hebben voor hun carrière. Sportief succes bestaat bij over grenzen gaan. De sporter die niet het uiterste van zichzelf eist, zal het nooit ver schoppen. Dat is een geschikt jachtterrein voor wie zich seksueel wil uitleven. Het slachtoffer schikt zich willoos naar een omerta, aangezien intimidatie en isolatie zich er tamelijk gemakkelijk laten verhullen. Chantage kan met zoveel woorden worden toegepast: van ‘niemand zal je geloven’ tot en met ‘ik ruïneer je carrière’, maar meestal hoeft dat niet eens – beide partijen weten hoe het zit.

De getuigenissen hebben een constant element: Iedereen kon zien dat er iets niet pluis was. Sterker, velen hébben het gezien. Maar niemand greep in. Clubs keken weg. En de ouders? Die vertrouwden de coach die hun kind naar de top hielp.

Ouders willen het beste voor hun kind, en dat kind wil de beste worden. Ze vertrouwen de trainer die de indruk maakt óók het beste te willen en die het kind faciliteert in zijn of haar ambities. Deze ouders leveren hun kind niet ‘zomaar’ uit, ze denken juist dat ze het goed doen. En hun kind floreert – als sporter. Niet als mens. Maar dat een puber zich terugtrekt of zich anderszins zorgwekkend gedraagt, kan ook op het conto van de leeftijd of zware training geschreven worden.

Genant is dat de sportfederaties en -clubs nogal eens het belang van hun goeie naam zwaarder laten wegen dan een kind in het nauw, zeker als de dader een man van grote reputatie is. Ook nemen ze soms trainers aan ondanks een erkend verleden als misbruiker, omdat hij recht zou hebben op „een tweede kans”. Die tweede kans zij hem gegund, maar laat hij die elders grijpen. Zijn recht weegt per definitie lichter dan dat van jonge leden. Die hebben recht op een veilige omgeving met een trainer van onbesproken gedrag. Hier moeten clubs altijd hun verantwoorlijkheid nemen.

Het curieuze is dat menige zich zo zwaar vergalopperende trainer weigert in te zien wat hij heeft aangericht. Ze beseffen niet dat dat hun gedrag óók schadelijk is voor hun collega’s. Het merendeel, laat dat duidelijk zijn, is te goeder trouw, maar krijgt de schijn tegen door het seksuele wangedrag van anderen. Wie durft nog argeloos een kind door hen te laten begeleiden?

Het moet niet nodig zijn dat de ouders onderzoek doen naar het morele gehalte van begeleiders eer ze hun kind aan een sportclub toevertrouwen. De sportfederaties en -verenigingen zijn geschaad. Het beste is als zij de handschoen opnemen door zich om te beginnen expliciet te binden aan de gedragscode van NOC*NSF. De code wijst erop dat een trainer of coach zich dient te onthouden van „fysiek grensoverschrijdend gedrag, waaronder seksueel getinte opmerkingen, en aanrakingen en seksueel misbruik”. En vervolgt: „Alle seksuele handelingen, contacten en relaties met minderjarigen zijn onder geen beding geoorloofd.”

Niet dat een doorgewinterde pervert zich door die regels zal laten weerhouden. Maar als hij ze heeft moeten onderschrijven bij zijn indiensttreding, kan hij nooit meer beweren dat hij niet begrijpt dat hij over de schreef ging. Als alle sportbonden en -clubs, van professioneel tot amateur, zich aan deze code committeren, zijn we een stap verder.