Column

Rolkoffers

Ik voel me in niets een Amsterdammer, maar woon er wel al lange tijd met plezier. Afgelopen zaterdag moest ik in de Bijenkorf zijn en terwijl ik op de fiets richting hartje centrum ploegde, schoot het door me heen hoe lang het eigenlijk al weer geleden was dat ik me daar had gewaagd op een zaterdag. Terwijl de inwoners van andere Nederlandse steden in hun vrije tijd juist naar het centrum trekken omdat ze iets willen meemaken, blijft de Amsterdammer daar juist weg.

Alles binnen de grachtengordel is opgegeven gebied.

Verkwanseld aan de toeristenindustrie.

Op de fiets realiseerde ik me hoe snel of dat gegaan was. Toen ik een jaar of vijftien geleden in de stad kwam wonen, rook het er nog naar wiet in plaats van naar suiker en ging de discussie over hoe smerig het er op straat was en hoe erg dat was omdat het de buitenlandse toerist zou afschrikken. Tegenwoordig is het er een pretpark, met het Centraal Station als ingang.

De Bijenkorf was zaterdag bijna onbereikbaar. Ik kwam op de fiets bijna niet door het lange lint van Chinezen, Russen en Britten heen. Aan de overkant, op de Dam, was het kermis. Er stond een afschrikwekkend lange rij voor het reuzenrad waarvanuit je foto’s kon nemen van de eeuwenoude binnenstad.

Amsterdam is Venetië geworden en misschien een beetje Barcelona. Wat ik zelf wel grappig vind zijn de inwoners van de binnenstad – de zogenoemde grachtengordelbewoners – die in tegenstelling tot die in de binnensteden van Barcelona en Venetië zonder uitzondering behoren tot de bovenste kaste.

Zoals zij zelf ooit de echte Amsterdammers verdreven naar Purmerend voelen zij zich nu door de toenemende kluwen toeristen bedreigd. Sommigen zelfs dusdanig dat ze er emotioneel van worden.

Toen ik mijn fiets met behulp van een tewerkgestelde werkloze bij de Bijenkorf had geparkeerd trof ik er een die ik ooit had geïnterviewd, omdat ze zich hardmaakte voor een ruimhartiger vluchtelingenbeleid. Daar stond ze denk ik nog steeds achter, maar ze maakte zich nu vooral druk over al die buitenlanders met rolkoffers in haar straten waardoor het voor haar bijna onmogelijk was om van de lente te genieten.

Het mocht allemaal niet met haar naam erbij worden opgeschreven, maar ze het had over „verborgen verdriet”. In haar ogen zag ik dat ze het in ieder geval zelf echt geloofde.

Amsterdam is een stad zonder centrum geworden, maar met de inwoners hoeven we geen medelijden te hebben.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.