Ook Sinatra is voor Dylan geen brug te ver

XXX

Een stukje schuurpapier. Een hap kiezels. Een roestige hark. Een zeeleeuw met longemfyseem. Een elektrische grasmaaier met kapotte motor. De gruizige stem van Dylan is een bron van vrolijke metaforen.

De gruizige zangstem van Bob Dylan is al vanaf zijn debuut in 1961 een bron van vrolijke metaforen voor journalisten, recensenten, collega-muzikanten en cabaretiers – op zichzelf al een verdienste. Vermoedelijk is er intussen geen zoogdier in Artis, en geen doe-het-zelf-artikel in de Hubo, waar de stem van de nu 75-jarige zanger niet al eens mee is vergeleken. Collega’s haakten er gretig op in met pastiches op ‘de stem van een generatie’. Onder de deelnemers: Donovan, Bowie, Frank Zappa, Jimmy Fallon. Op Youtube kan de liefhebber van Dylan-imitaties zijn hart ophalen. Ja, want de man kan, zo heet het, ‘niet zingen’.

Dylan-liefhebbers hebben zich van die spot nooit veel aangetrokken. Zulk muggenziften was burgerlijk (jaren zestig), rechts (jaren zeventig) of commercieel (jaren tachtig). Dylan was nu eenmaal een verbale expressionist die met zijn stem deed wat Picasso… nou ja, die kon ook niet schilderen. Nee, dit was geen geschoold zingen, maar spreekzingen, sneren of zingpreken. Dylan kan schijnbaar naar willekeur woorden en lettergrepen uitspugen, rekken en aan elkaar rijgen. Met de muziek samen klinkt die stem, schreef een NRC-redacteur eens, als „een hortend gesprek tussen een gek en zijn verpleger”.

Maar naarmate zijn generatie zich van de stem ging afkeren, werd de kwestie wel wat nijpender, zelfs voor de gewilligste oren. Tijdens zijn creatieve impasse in de jaren tachtig, toen Madonna en Michael Jackson furore maakten, leek hij zelf ook niet goed raad te weten met zijn doorgerookte stembanden, en er het liefst vanaf te willen. Dat was het begin van de jaren van de „zeeleeuw met longemfyseem”, zoals een Britse krant noteerde.

De rehabilitatie kwam met horten en stoten vanaf Oh Mercy! (1989) waarop Dylan klonk als een oudtestamentische boeteprediker. Zijn gehavende stem werd een nieuw, verontrustend instrument. Hij wist het overtuigend in te zetten voor uitvoeringen van folk-, country- en bluesklassiekers en daarna voor een verbluffende reeks nieuwe meesterwerken, vanaf Time Out of Mind (1997) tot Tempest (2012). Dylan had niet alleen zijn artistieke genie heruitgevonden maar ook zijn stem herijkt. De zanger van het babyboomerlijflied Forever Young klonk voortaan alsof hij nooit jong was geweest – en daar trouwens ook geen zin in zou hebben.

Is Frank Sinatra dan een brug te ver?

Welnee – Dylan heeft altijd al geput uit de Amerikaanse muziektraditie. Covers zijn voor hem een probaat middel om in de geschiedenis weg te kruipen en zijn eigen, inmiddels loodzware imago achter zich te laten.

De ode aan Amerikaanse favorieten uit de jaren veertig en vijftig die hij op zijn jongste album brengt, uit de vervlogen tijden van vóór de rock-’n’-roll-revolutie, zijn een volgend teken dat Dylan zich wil scharen in de traditie van Amerikaanse volksmuziek. Bedoeld voor, zoals hij het in een interview op zijn website zegt, „de man in de straat” en allang niet meer voor die op de barricade. Die huidige stem, rauw maar tegelijk dienstbaar en soms zelfs nederig, is daarvoor zijn beste instrument.