Niet over politiek praten, dan blijft het gezellig

Verdeeldheid Turkse gemeenschap

Aan de hand van een klassenfoto spoorde journaliste Fadime Demir de Turks-Nederlandse kinderen op met wie ze als 7-jarige op school zat in Zaandam. Wat zou zwaarder wegen: hun gedeelde achtergrond of de politieke actualiteit?

De getraceerde klas van Fadime Demir. Bovenste rij van links naar rechts: Sultan Özata, Fadime Demir, Mehmet Öztürk, Sengul Ustundag, Hülya Sengöz. Middelste rij van links naar rechts: Hatice Demirözcan, Murat Dogan, Bülent Polat. Onderste rij van links naar rechts: Erol Colak, Soner Demirözcan, Bekdas Demirözcan, Ali Acar. Foto: David van Dam

Oktober 1980, staat er achter op de vergeelde foto. Alle Turkse kinderen van openbare basisschool de Leeghwater in Zaandam staan er op – net als onze Turkse meester. Ik sta naast hem, met dat boze gezicht. Ik was net 7 en haatte deze lessen. We zongen het Turkse volkslied, leerden de Turkse taal, cultuur en de Turkse normen en waarden. Dat was Nederlands overheidsbeleid, gecoördineerd door het Turkse ministerie van Onderwijszaken. Wij zouden immers teruggaan naar Turkije. Vandaar dat certificaat dat we na afloop va’n de lagere school kregen. Daarmee konden wij in Turkije direct naar de middelbare school. Maar wij gingen niet terug. Wij bleven.

De heimwee naar hun land gaven onze ouders door aan ons, hun kinderen. En de Turkse trots. Als Turkije een voetbalwedstrijd had gewonnen, reden de Turken luid toeterend met vlaggen rond. Ook ik in mijn BMW, met mijn twee zoons. Het zit in het bloed, excuseerde ik mij tegenover Nederlandse vrienden. Maar de trots en verbintenis kregen na de mislukte coup vorig jaar een heel andere betekenis. Opeens gingen Turken met vlaggen de straat op om president Erdogan te steunen.

Sindsdien rommelt het in de Turks-Nederlandse gemeenschap, en het naderend referendum over de machtsuitbreiding van president Erdogan gooit olie op het vuur. Zondag gaat Turkije naar de stembus. Turken in Nederland konden vorige week al hun stem uitbrengen.

Ik dacht vaak terug aan de schoolfoto – daar stonden wij allemaal lachend samen. Een gedeelde achtergrond, de Turkse.

Bedreiging

Het was zaterdagavond 11 maart, de dag van de rellen bij het Turkse consulaat in Rotterdam. Ik volgde het nieuws op de voet en postte op Facebook artikelen en updates. De discussies schoten alle kanten op, dus ik schreef:

„Als het over Turkije gaat, word je persoonlijk aangevallen puur omdat je je eigen mening geeft. Wat een armoe als mensen niet kunnen discussiëren. En gebrek aan humor mensen da’s ook dodelijk, zelfspot en gebrek aan relativering doen ego’s opzwellen, als ballonnen gaan ze hoog de lucht in. Fijne avond, hoop oprecht dat de boel niet verder escaleert.”

En opeens was daar een oud-klasgenoot uit Zaandam, op mijn Facebook:

„Hierbij wil ik zeggen dat ik haar berichten doorstuur naar de Turkse inlichtingen en hoop dat ze gepakt wordt als ze op vakantie gaat.”

„Wat doe je, man?”, schreef ik hem terug.

„Je moet ophouden met je leugens en anti-Turks. Als je niet mee eens bent houdt dat voor je zelf. Ga niet net of doen of je zielig bent.”

Zo ver is het dus gekomen. Op de foto waren wij allemaal gelijk, kinderen van Turkse gastarbeiders die begin jaren zeventig in het kader van gezinshereniging naar Zaandam kwamen. Onze vaders werkten bij grote bedrijven als Bruynzeel, Honig, Albert Heijn en Verkade. Zij kwamen uit Midden- en Oost-Turkije, waar hoge werkloosheid heerste. Nog steeds heeft de Zaanstreek met 12.000 Turkse Nederlanders een van de grootste gemeenschappen van Nederland.

Wie waren wij eigenlijk geworden? Hoe kon het dat de politieke situatie in Turkije ons bijna 40 jaar later in Nederland zo verdeelde dat een oud-klasgenoot mij bedreigde omdat ik niet Turks genoeg was? Met de foto in de hand besloot ik mijn vroegere schoolgenoten op te zoeken. Terug naar mijn roots, terug naar Zaandam.

Hülya

Bij wie begin je, dertig jaar na dato? Bij Hülya, een van mijn beste vriendinnen, die ik sindsdien niet meer heb gezien. Met haar deelde ik lief en leed, zong ik ‘Een beetje verliefd’ van André Hazes. Zij woont nog in onze oude buurt, op een steenworp afstand van haar ouderlijk huis. Hülya is kraamverzorgster en woont samen met haar Turkse man en twee dochters (24, 21) in een groot huis dat grenst aan het park waar wij altijd speelden.

De meeste klasgenoten wonen nog in Zaandam of in een van de omliggende dorpen

Ze was net terug van vakantie in Turkije en vertelde enthousiast over haar rondreis door Cappadocië die eindigde in Antalya. Ze stopte met praten, gooide haar handen in de lucht en riep: „Ja en daar heb ik hem gezien, Erdogan! Ik moest zo huilen.” Hülya liet op haar telefoon foto’s zien van Erdogan uit de verte, een kleine schim op een enorm podium. Overal Turkse vlaggen. Op het vliegveld had ze gestemd voor het referendum. Vanzelfsprekend ‘Ja’.

„Het is een gevoel, ik kan dat moeilijk uitleggen”, zei Hülya. „Erdogan is onze leider, hij is het enige goede wat Turkije is overkomen. En ja, hij is een man van het geloof.”

Hülya en ik waren vanaf de kleutertijd bevriend geweest, samen op school, gearmd liepen we na school naar de moskee voor Koranles. Zij kende mijn ouders, ik die van haar, wij wisten hoe moeilijk het was op te groeien als kinderen van gastarbeiders. Ik liet haar de schoolfoto zien en vertelde over mijn zoektocht. „Ik heb niets te verbergen voor jou”, zei zij. „Maar ik weet hoe negatief mensen hier zijn over Erdogan. Schrijf dat maar op.”

Een vrij leven

Toen ik 18 werd, vertrok ik uit Zaandam, waar bijna al mijn oud-klasgenoten nog wonen. Ik wilde weg uit de Turkse gemeenschap en haar beklemmende normen en waarden. Ik brak met mijn familie, liet alles en iedereen achter. Via Zoetermeer en Bussum belandde ik op de School voor Journalistiek in Utrecht. Ik liep stage voor NRC Handelsblad in Turkije in 1997, maar maakte die niet af.

Ik had daar een ander Turkije leren kennen, dat van gevangen gezette journalisten, censuur, studenten die opgepakt werden tijdens demonstraties. Na een interview met een van de bekendste mensenrechtenadvocaten op zijn onderduikadres, keerde ik gedesillusioneerd terug naar Nederland. Ik werkte als journaliste bij de tv en later ook de radio. Ik hield mij afzijdig van de Turkse politiek. Tot vorig jaar. Toen het mijn leven binnendrong, net als bij alle Turkse Nederlanders. Niemand kon er meer omheen.

„Je bent een hond van het Westen”, schreef mijn schoonzusje mij vorig jaar na de coup. Volgens haar was Turkije niet meer mijn land. Sindsdien heb ik geen enkel contact meer met mijn familie uit Zaandam. Als je niet voor bent, ben je tegen, er lijkt geen middenweg te bestaan.

Mijn 83-jarige vader remigreerde decennia geleden en woont in mijn geboortedorp, waar ook mijn moeder begraven ligt. Vorige week belde ik hem met de mededeling dat wij hem ook dit jaar niet konden bezoeken. Ik durf niet, zeker niet na de dreigementen op Facebook. Hij begreep er niets van, zei hij. „Kom gewoon. Het land is er nog nooit zo goed aan toe geweest als nu onder Erdogan.”

Turkse meester

„Ah Fadime, ja jou herinner ik mij zeker… jij vond Turkse les niet leuk en kon niet wachten tot het pauze was om op het schoolplein met de jongens te voetballen.” Zijn stem zou ik uit duizenden herkennen, Mehmet – mijn Turkse meester. Ik hakkel en probeer in mijn beste Turks uit te leggen wat ik aan het doen ben. De volgende dag staat hij mij samen met zijn vrouw op te wachten voor hun eengezinswoning in Zaandam. Binnen voelt het als thuis. Hij heeft dezelfde telefoonklapper als mijn vader.

Hij heeft onze oude schoolboeken uit de kast gehaald. „Het was onwaarschijnlijk moeilijk voor jullie”, zegt hij. „Jullie moesten Turks leren en klaargestoomd worden om in Turkije naar de middelbare school te kunnen. Dat was eigenlijk onmogelijk, in een paar uur per week. En die hadden jullie eigenlijk ook nodig voor de gewone Nederlandse lessen op school.”

Mijn meester piekert er niet over om in Turkije te gaan wonen

Maar niemand ging in Turkije naar de middelbare school. Ook mijn meester bleef, met zijn vrouw en twee zoons. Hij piekert er niet over om in Turkije te gaan wonen. „Onze zoons hebben gestudeerd, zijn getrouwd met Nederlandse vrouwen en hebben kinderen.” Hij ziet Nederland als zijn land en vindt het onbegrijpelijk dat DENK zoveel stemmen krijgt van Turkse Nederlanders. Als een van de laatste Turken heeft hij op de PvdA gestemd.

Over het referendum is hij zeer uitgesproken, maar hij wil niet dat ik het opschrijf. Bij het afscheid zegt hij: „Die Turkse lessen die jij haatte, zijn toch goed geweest. Je spreekt nu mooi Turks.”

Twee culturen

Bijna iedereen is in Nederland gebleven, blijkt tijdens mijn zoektocht. De meeste klasgenoten wonen nog in Zaandam of in omliggende dorpen als Assendelft, Wormerveer en Krommenie. Twee zijn er uiteindelijk teruggegaan naar Turkije. Een van de jongens is bij een verkeersongeluk om het leven gekomen. Zijn vrouw en twee kinderen wonen in Zaandam. Twee van de foto heb ik niet gevonden.

Een paar meiden van toen zijn nu huisvrouw, de rest werkt in uiteenlopende beroepen: leraren, studie-adviseur, rechercheur, pedagogisch medewerker, rijschoolhouders, metrobestuurder, bankmedewerkers, reismedewerksters, belastingconsulent, callcenter-eigenaar en een e-commerce professional.

Vier hebben een Nederlandse partner; de rest een Turkse. Op twee na heeft iedereen kinderen gekregen. Die worden zonder uitzondering met twee culturen opgevoed, al weegt de Turkse cultuur thuis zwaarder. De meeste mensen voelen beide landen als thuis en dromen van een vakantiewoning in Turkije. Een enkeling speelt met de gedachte om in de nabije toekomst naar Turkije te verhuizen.

Van de leerlingen die ik heb gesproken heeft iedereen tijdens de Tweede Kamerverkiezingen zijn stem uitgebracht: vijf op D66, een op de SP en een op de Piratenpartij. Het overgrote deel heeft op DENK gestemd. Als ik vraag waarom de antwoorden nagenoeg gelijk zijn: zij voelen zich door andere partijen niet gehoord. „Het is goed dat er nu een partij is die opkomt voor de Turken ook.” Een van mijn klasgenoten vertelt dat DENK-voorman Tunahan Kuzu drie keer in de Sultan Ahmet Moskee in Zaandam is komen spreken.

Het referendum is een ander verhaal; sommigen hebben niet gestemd. De groep die ik sprak, is verdeeld tussen ‘Ja’ en ‘Nee’.

Gastarbeiderskinderen

Veel van mijn Turkse schoolgenoten van de basisschool in Zaandam wilden niet meedoen met dit verhaal. „Ook niet anoniem, ik wil er niets over zeggen”, zegt een vroegere schoolgenoot. Anderen wilden wel praten, maar zwakten hun uitspraken af als ze mij aantekeningen zagen maken. „Schrijf dat maar niet zo op, ik heb geen zin in dreigementen”, of „Dat is wel wat ik vind, maar ik wil geen moeilijkheden.”

Op de vergeelde foto staan wij, de dertig Turkse gastarbeiderskinderen met een gedeelde geschiedenis maar een verdeelde toekomst. Ik merk het ook zelf. Tijdens het schrijven worstel ik en weeg elk woord. Het schisma dat de coup en het referendum veroorzaken verdeelt niet alleen Turkije, maar ook de Turkse gemeenschap hier. Politieke scheidslijnen lopen dwars door vriendschappen, gezinnen en families.

De meeste leerlingen die ik heb gesproken, zeggen dat ze er niet over praten met andere Turken. Ze weten niet hoe een ander erop zou reageren, en ze willen de verhoudingen goed houden. Buitenshuis, maar ook binnenshuis. Een leerling heeft ‘nee’ gestemd, haar echtgenoot ‘ja’. Hij ziet de president als de redder van Turkije, zij denkt het tegenovergestelde. „Als wij erover spreken komt er altijd een punt dat mijn man zegt, je gaat nu een grens over met je uitspraken. Laten we dit gesprek beëindigen voordat het ons huwelijk beëindigt.”

Buiten alle perken

Een andere jeugdvriendin blijkt verhuisd naar het zuiden. Ze is hertrouwd en heeft twee jongens die net naar de basisschool gaan. Zij zit thuis met de kinderen, maar heeft tot aan de geboorte altijd gewerkt. Zij wil me graag zien en ik mag alles opschrijven, als ik haar naam maar niet noem. „Ik ga zeker niet stemmen voor het referendum”, zegt zij. „Ik leef hier. Ik wil mij niet mengen in de politiek daar. Ik heb met verbazing naar de demonstranten in Rotterdam gekeken, samen met mijn man. Wat Erdogan zegt, is buiten alle perken.”

Wat Erdogan zegt, is buiten alle perken

Zij is praktiserend moslima maar draagt geen hoofddoek, bidt vijf keer per dag en houdt zich aan de zuilen van de Islam. „Ik zie mijn geloof als een privé-aangelegenheid. Wij hebben als Turken alle kansen gekregen. Ik geloof niet dat Erdogan dat omgekeerd bij bijvoorbeeld Nederlanders zou doen. Kijk om ons heen: er zijn moskeeën, dönerzaken, theehuisjes. We kunnen onszelf zijn, dat kan niet onder Erdogan. Dus tegen die mensen die hem vereren en zeggen dat Nederland discrimineert zou ik willen zeggen, wat zoek je hier nog? Niemand houdt je toch tegen. Ga dan.”

„Mijn moeder en zus zijn Erdogan-aanhangers en stemmen ‘ja’”, zegt zij. „Ik ga nooit de discussie aan. Wij wonen al ruim veertig jaar hier en dit is ons thuis. Onze blik zou gericht moeten zijn op de maatschappij hier. Ik heb met de Nederlandse verkiezingen op de SP gestemd en mijn man ook. Ik zou nooit op DENK kunnen stemmen, zoals mijn zus en moeder.”

Schoolplein

Zondag 9 april heb ik uiteindelijk een clubje bijeen. De zon schijnt en we staan op ons oude schoolplein in Zaandam. De Turkse meester is er en elf leerlingen. De schoolgenoot die mij dreigde aan te geven bij de Turkse inlichtingendienst laat het uiteindelijk afweten.

We gaan op de foto en daarna vraagt de Turkse meester ons te gaan zitten, net als vroeger in een kringetje. Hij vertelt hoe bijzonder hij het vindt ons weer te ontmoeten, we halen herinneringen op en er wordt hard gelachen om de verhalen. Als ik hem ongeduldig aankijk, excuseert hij zich en zegt: „Fadime wil over politiek praten, maar dat gaan we niet doen, dat doen we wel na het referendum in Turkije.”

Hij krijgt bijval. Ik probeer boven het rumoer uit te komen en roep: „Maar wie hebben er nou Ja of Nee gestemd?” De meester maant tot rust en zegt „Laten we het gezellig houden”. Hij wijst een leerling aan en vraagt om de volgende anekdote.

Als we de school uitlopen slaat mijn vriendin Hülya haar arm om mij heen en zegt „Niet zo sip kijken. Van jou gaan we ook een ‘Erdogancı’ maken.”

Ze meent het.

Met medewerking van Merijn Rengers.