Column

Lezen in het leven van je beste vriend

Ik zat aan het sterfbed van mijn beste vriend en las zijn 84-jarige leven in zijn boekenkast. Op Elsschot, Bernlef, Nescio, Abel Herzberg, G.L. Durlacher en F.B. Hotz na was de Nederlandse literatuur amper vertegenwoordigd. Duitse fictie ontbrak geheel, een gevolg van de bezetting, die hem nogal had aangegrepen. Aan Proust was hij verschillende keren begonnen, eerst in het Frans, daarna in het Engels. Maar hij bleef het langdradig vinden.

Meer hield mijn beste vriend, die een sociaal bewogen man van aanzien en invloed was, van Engelstalige schrijvers. Van Orwell had hij alles gelezen, meerdere keren zo te zien. En dan was er ook veel werk van Aldous Huxley, Joseph Conrad, Thomas Hardy, Herman Melville, V.S Naipaul en Evelyn Waugh. Mijn oog viel op Nabokovs Speak memory, op Ayn Rands The Fountainhead. En dan waren er nog Fernando Pessoa en Machado de Assis, vertaald door zijn schoolvriend August Willemsen, en alles van zijn vroegere huisarts Toon Tellegen.

Verder zag ik meters over de geschiedenis van Amsterdam, essaybundels van Rudy Kousbroek, Jan Pen, Vaclav Havel en Anton Constandse, een vrijdenker van wie hij in de idealistische jaren zestig en zeventig onder de indruk was. En dan was er een biografie van Henri Polak, de Hitler-monografie van Sebastian Haffner en diens Geschiedenis van een Duitser, een boek dat hem genuanceerder over de oorlog liet denken.

Ook waren er romans van Amos Oz, van Isaac Bashevis Singer, van Philip Roth. Die laatste schrijver was hij tot op het laatst blijven volgen, en dan niet vanwege die ene roman die dankzij Trump ineens in de mode was geraakt. Want mijn beste vriend deed niet mee aan welke mode ook. Zo lang als ik hem kende was hij volkomen zichzelf, ook in zijn literaire smaak.

Uit de boekenkast van mijn beste vriend sprak de kritische geest van de wederopbouw en de Koude Oorlog, een periode waarin hij zelf actief deelnam aan de samenleving. Non-fictie verschafte hem inzicht in het verleden, aan romans kon hij zijn onzekerheden en twijfels toetsen. Door te lezen was hij een wijs man geworden, die begreep hoe ingewikkeld de mens in elkaar stak.

Mijn beste vriend was ook een mild mens. Alleen hebzuchtige bestuurders kregen er van hem van langs, want die schaadden het algemeen belang. Daarom ook had hij sympathie voor mislukkelingen, die je in het echte leven en in de literatuur zo vaak tegenkomt. Iedereen was voor hem gelijk, als ze maar oprecht, integer en eerlijk waren.

Toen mijn beste vriend gestorven was, stuitte ik in Trouw op een pleidooi van Nelleke Noordervliet voor het lezen van literaire fictie. Van haar laatste roman Aan het eind van de dag zou hij genoten hebben, omdat ze een wereld beschrijft die hij goed kende. En als Noordervliet in dat artikel bekent dat ze het lezen van literaire fictie beschouwt als een middel om de wereld te zien en te begrijpen door de ogen van een ander, en dat het voor haar een middel is om jezelf en elkaar te leren kennen, dan weet ik dat mijn beste vriend haar van over het graf instemmend toeknikt.