Recensie

Einsteins angst om te blunderen

Albert Einstein (1879-1955)

Te snel paste Albert Einstein zijn relativiteitstheorie aan. Een fout die hem later koppig maakte. Een nieuwe biografie verklaart zijn gedrag en uiteenlopende wetenschappelijke achtergronden.

Albert Einstein tijdens zijn ballingschap in de Verenigde Staten, eind jaren dertig. Foto Bettmann Archive/Getty Images

Einstein verkoopt. Zijn naam in de titel is goed voor meer verkochte boeken. Helemaal aantrekkelijk is dan natuurlijk een titel als Einsteins grootste fout, want dat zelfs ‘het grootste genie aller tijden’ fouten kon maken, maakt hem des te interessanter.

Voor de Amerikaanse schrijver David Bodanis biedt het eerder een nieuw perspectief vanwaaruit hij Einsteins leven en werk kan bekijken. Hij wijdde eerder al een boek aan Einsteins bekendste formule E=mc2, en hij probeert in deze nieuwe biografie, waarin de nadruk ligt op de tweede helft van Einsteins leven, als een psycholoog diens wetenschappelijke werk en opvattingen te duiden.

Einstein (1879-1955) kwam in de loop der jaren in wetenschappelijk opzicht steeds meer alleen te staan. Nadat hij in 1915 zijn relativiteitstheorie aan de wereld had geopenbaard, raakte hij verwikkeld in felle discussies met een ander genie, de Deense fysicus Niels Bohr (1885-1962). Samen met een aantal jonge collega’s gaf deze de kwantummechanica vorm, de theorie die het gedrag van subatomaire deeltjes beschrijft.

Einstein moest niets hebben van wat al snel de Kopenhaagse Interpretatie ging heten. Zo ontstond het wat droeve beeld van de oudere Einstein wiens intuïtie hem in de steek liet, en die tot aan zijn dood vergeefs werkte aan een alternatieve, allesomvattende theorie, waarin met name het door hem verfoeide toevalsaspect zou zijn uitgebannen: God dobbelde immers niet.

Bodanis wil laten zien ‘hoe genialiteit haar hoogtepunt bereikt, en dan verzwakt, hoe we met mislukking en veroudering omgaan’, en illustreert dat om te beginnen al prachtig met een foto van een enigszins gebogen Einstein, twee jaar voor zijn dood, alleen op weg naar huis, de jas slobberend en een gebreide muts over de wilde haardos.

Wat Bodanis wil aantonen, is dat Einsteins weigering om de kwantummechanica te omarmen voortvloeide uit de ontwikkeling van de relativiteitstheorie. De vergelijkingen waarmee hij de grondslag had gelegd voor een radicaal ander beeld van het heelal, toonden niet alleen aan dat ruimte en tijd nauw verweven waren, maar lieten ook zien dat we niet in een statisch heelal leven, maar dat alle materie in voortdurende beweging en onder bepaalde voorwaarden volkomen ineen zou kunnen storten. Dat leek niet in overeenstemming met de waarnemingen van een eeuwig, volgens een Zwitsers uurwerk voortbewegend universum. Dat stuitte Einstein zó tegen de borst, dat hij een extra term toevoegde aan zijn vergelijkingen, de kosmologische constante, die het heelal effectief ‘stabiliseerde’.

Bodanis wil laten zien ‘hoe genialiteit haar hoogtepunt bereikt, en dan verzwakt’

Al snel werd echter duidelijk, door het werk van astronomen als Edwin Hubble (1889-1952), dat we helemaal niet in een statisch universum leven, maar dat alle sterren en sterrenstelsels zich van elkaar af bewegen, en dat dit erop wijst dat zo’n veertien miljard jaar geleden alles om ons heen in een Big Bang is ontstaan. Dat lag allemaal al keurig verborgen in de oorspronkelijke versie van Einsteins theorie: die kosmologische constante bleek totaal overbodig te zijn, waarmee ‘Einsteins grootste fout’ het licht zag.

Volgens Bodanis is Einsteins latere weerstand tegen de kwantummechanica te verklaren uit zijn angst om nóg eens zo’n blunder te begaan. Terwijl Werner Heisenberg (1901-1976) met zijn onzekerheidsprincipe een einde maakte aan de overtuiging dat in de wereld van het allerkleinste alles volgens een volmaakte orde functioneert, bleef Einstein vasthouden aan zijn overtuiging dat de wereld ‘duidelijk, precies en begrijpelijk was’. Tot aan zijn dood, en in weerwil van steeds meer experimenteel bewijs dat Bohr en Heisenberg het bij het juiste eind hadden, bleef Einstein volharden in zijn eigen ideeën. Of zoals Bodanis wil aantonen: de emotionele dreun die hij kreeg toen hij ten onrechte zijn relativiteitstheorie aanpaste, maakte hem des te koppiger toen hij op betere gronden op zijn schreden had moeten terugkeren. Einstein dreef af naar de marges van de wetenschap.

Vrouwelijke sterrenkundigen

Het is niet uit te maken of dit een steekhoudende verklaring is. Maar daar gaat het niet om. Bodanis weet een op zichzelf bekend verhaal in een nieuw licht te plaatsen, en geeft bovendien een heldere uiteenzetting van de wetenschappelijke achtergronden, met name van de relativiteitstheorie, wat verre van eenvoudig is.

Ook mooi is de manier waarop hij beschrijft hoe sterrenkundigen uit een enorme berg aan astronomische waarnemingen wisten te concluderen dat we in een uitdijend heelal leven. Dat hierbij een uiterst belangrijke rol was weggelegd voor vrouwelijke sterrenkundigen bij het nauwkeurig opmeten en analyseren van de fotografische platen, maakt het verhaal er alleen maar aantrekkelijker op.

Bodanis eindigt zelfs met een heuse cliffhanger: zo’n twintig jaar geleden werd duidelijk dat het heelal zich niet alleen gestaag uitbreidt, maar dat het dit steeds sneller doet. Dat is het gevolg van een nog onbekende, afstotende kracht die natuurkundigen donkere energie hebben genoemd, maar die theoretisch heel goed met een soort kosmologische constante zou kunnen worden beschreven. Zou Einstein dan toch gelijk hebben gehad? Met deze vraag schept Bodanis ruimte voor een volgend boek, over de allernieuwste theorieën in de kosmologie, dat in de titel ongetwijfeld opnieuw met Einstein zal worden verbonden.