De herontdekking van het verzwolgen Noordzee-land

Onder de Noordzee lag ooit land dat werd doorkruist door groot wild, vroege mensen en Neanderthalers. Lang hadden wetenschappers geen interesse voor hun sporen, maar dat begint nu te veranderen.

De 16-jarige Ivan van Marrewijk zoekt op het strand naar fossielen en prehistorische gebruiksvoorwerpen. Olivier Middendorp

Op het strand van Kijkduin loopt Ivan van Marrewijk, 16 jaar. Het is koud, de wind giert. Ivan steekt zijn handen diep in de zakken van zijn jack. Op rubberlaarzen loopt hij door de branding, gezicht naar beneden. Ivan is een zoeker. Hij negeert de schelpjes en raapt een plat, zwart stukje steen op, gevormd als een plectrum om gitaar te spelen. „Een stukje van een vuurstenen werktuig, denk ik.”

Binnen een uur vindt Ivan ook nog een haaientand („een beetje verrot, maar wel grappig”), een fossiele bevertand en een afslag van een vuurstenen werktuig. „We hebben geluk vandaag.”

Aan de kust, van Zeeuws-Vlaanderen tot Texel, ligt de prehistorie aan je voeten. Waar nu de zon in de zee zakt, lag tot tienduizend jaar geleden een landschap dat doorkruist werd door groot wild, jagers en vissers. De Noordzee was hun leefgebied.

Nu is het een verdronken schatkamer, zo rijk aan fossielen dat ze met kisten tegelijk werden afgevoerd. Afgelopen week nog werd bekend dat in de Westerschelde en bij Walcheren allerlei onbekende soorten uitgestorven walvissen zijn gevonden. Er zijn honderdduizenden botten en tanden van wolharige mammoeten, wolharige neushoorns, bevers, hyena’s en nog veel meer.

Maar ook de enige Neanderthaler en de oudste moderne mens van Nederland zijn er gevonden, en hun werktuigen – van grove vuistbijlen tot fijn bewerkte harpoenspitsen van hertengewei.

„Het is het heartland van West-Europa”, zegt archeoloog Luc Amkreutz. „Een enorm gebied met aangetoonde archeologische potentie”, schreven Nederlandse archeologen en geologen in 2014 in een rapport.

Hier liggen de prehistorische landschappen in de bovenste 30 meter van de Noordzeebodem. In het Midden-Paleolithicum leefden hier onder meer: Neanderthaler, wolharige mammoet, bosolifant, sabeltandkat, wolharige neushoorn, grottenhyena, hert. Tijdens het Laat-Paleolithicum: moderne mens, mammoet, sabeltandkat, wolf, bever, wisent. Tijdens het Mesolithicum: mens, wisent, wolf, bever, eland, oeros, hert. Studio NRC

Sinds 8.000 jaar staat het onderzoeksgebied alleen tijdelijk onder water. En daarom leven de meeste archeologen en paleontologen van Nederland met de rug naar zee.

Decennialang waren degenen die het meest oog hadden voor de Noordzee, geen professionele onderzoekers. Het waren ‘zoekers’ op het strand, en vissers die de fossielen vingen, uit interesse of bijverdienste.

Dat is aan het veranderen. Amkreutz, conservator prehistorie van het Rijksmuseum van Oudheden, is een van de mensen die meer systematisch onderzoek wil doen naar dat leefgebied, naar de bewoning van de Noordzee. „Er is zoveel materiaal dat je er veel meer mee kunt, als we willen.” Noordzee-kenners zoals hij verenigden zich drie jaar geleden in de Werkgroep Steentijd Noordzee.

En een paar maanden geleden tekenden archeologen en geologen een eerste kaart van de prehistorische, Nederlandse Noordzee. Die spreekt tot de verbeelding: in grote delen zijn nog intacte prehistorische landschappen te vinden. Resten van menselijke bewoning, tot Neanderthaler-jachtkampjes aan toe, liggen begraven onder de zeebodem.

Ook wetenschappers zijn nu nieuwsgierig naar de leefwijze van die mensen. Dat onderzoek is voorzichtig begonnen, bij onderzeese bouwprojecten zoals windmolenparken.

Het liefst zouden archeologen en geologen de hele prehistorische Noordzee in beeld krijgen. Dat kan met grondboringen van de zeebodem, en seismische gegevens uit de olie- en gasindustrie, weten ze van collega’s uit het Verenigd Koninkrijk. Misschien zouden ze veelbelovende bodems zelfs voorzichtig af kunnen graven.

Geld voor zo’n omvangrijk project is er niet. Maar je zou eenvoudig kunnen beginnen: door alles wat liefhebbers de afgelopen jaren vonden, nog serieuzer te bekijken.

De wetenschap heeft zijn gezicht naar de Noordzee gekeerd, en amateurs zijn de voorhoede geworden.

Doggerland

De Noordzee was de afgelopen 2 miljoen jaar (het Kwartair) meestal geen zee, maar land. Het Kwartair is een periode van ijstijden, afgewisseld met kortere warme periodes. In elke ijstijd trekt het water zich terug in de immense landijskappen en staat de Noordzee grotendeels droog. Zo was het in de laatste ijstijd (120.000-11.700 jaar geleden) toen eerst Neanderthalers in West-Europa leefden, en later de moderne mens.

Dat er in de Noordzee mensen leefden, is al lang duidelijk. In 1913 tekende de Britse geoloog Clement Reid de eerste kaart van een vlakte met rivieren tussen Groot-Brittannië en het Europese vasteland, dat later ‘Doggerland’ genoemd werd.

In Nederland pionierde archeoloog Leendert Louwe Kooijmans in 1971 met Noordzee-onderzoek. Hij beschreef Mesolithische benen werktuigen (11.700-7.000 jaar oud) die door Nederlandse vissers waren bovengehaald. Maar daar bleef het bij.

Leuke spulletjes

„Wij zijn opgevoed met het idee: je treft daar leuke spulletjes aan, maar je kunt er heel weinig mee”, vertelt Amkreutz. „Daar lag een landschap, maar alles wat je vond was ‘uit context’ – niet meer op de oorspronkelijke plek.”

En dus bleven zelfs de basale vragen onbeantwoord. Moderne mensen begonnen de Noordzee waarschijnlijk ongeveer 15.000 jaar geleden serieus te bewonen – daarvóór was het te koud, tijdens het diepst van de laatste ijstijd. Waar leefden die eerste ‘Nederlanders’ op de Noordzeevlakte, en hoe? Uit vondsten elders in West-Europa leiden we af dat zij rendierjagers waren. Maar was dat op de Noordzee wel zo? En hoe veranderde hun leven toen het klimaat opwarmde en de zee steeg?

Dan Neanderthalers: zij woonden meer dan 200.000 jaar geleden al aan de Britse oostkust, en verdwenen naar schatting 40.000 jaar geleden van de Noordzeevlakte. Over hen weten we nog veel minder.

Overblijfselen uit die tijd zijn er wel. Die danken we aan vissers. Vissers, vooral boomkorvissers die op platvis vissen, zijn onbedoeld ook fossielenvissers. Ze woelen de bodem om, en grote botten van uitgestorven dieren – en, af en toe, archeologische vondsten – blijven in hun netten hangen.

Vroeger verkochten de vissers de fraaie mammoetkiezen en -slagtanden aan fossielhandelaren. Al in de negentiende eeuw waren er liefhebbers voor, vertelt het boek Mammoeten, neushoorns en andere dieren van de Noordzeebodem (2008). Het serieuze onderzoek begon in de jaren 70.

Het Leidse natuurhistorisch museum (nu Naturalis) bouwde een grote mammoetcollectie op door vissershavens af te lopen. Maar het meeste werd verzameld door amateurs met wetenschappelijke interesse.

Een van de eersten was Dick Mol, douanier en in zijn vrije tijd mammoetkenner. Hij en andere geïnteresseerden verzamelden álle opgeviste botten, niet alleen de mooie, voor de wetenschap. Op Urk organiseerde Klaas Post, visserij-ondernemer en in zijn vrije tijd zee-paleontoloog, sinds begin jaren 90 een groeiend netwerk van Nederlandse vissers.

Elke week reed een vrachtwagentje langs de havens en haalde álle fossielen op die de vissers opvisten. Alleen al tussen 1997 en 2003 waren het 57.000 kilo fossielen, daarna hielden de initiatiefnemers op met tellen. Een hele loods op Urk was gereserveerd voor het sorteren en conserveren van de vondsten.

Mammoetsteppe

Al die botten samen geven een tamelijk compleet beeld van de dieren die Neanderthalers en moderne mensen zijn tegengekomen.

In de afgelopen 100.000 jaar waren dat vooral dieren van de ‘mammoetsteppe’: Afrikaanse taferelen met een bontjas aan. Wolharige mammoeten, wolharige neushoorns, sabeltandkatten, grottenhyena’s, maar ook wilde paarden, reuzenherten, bevers en otters. En sinds kort weten we: ook soorten van warmere klimaten (bosolifant, monniksrob, wisent, zelfs een berberaap) overleefden nog in onze streken.

In de afgelopen vijf jaar is de bottenstroom uit de visserij grotendeels opgedroogd, omdat er niet meer met de boomkor mag worden gevist. Maar de stranden zijn juist een rijkere vindplaats geworden. De afgelopen tien jaar zijn honderden miljoenen kubieke meters zand opgeslobberd uit de diepten van de Noordzee. Sinds 2008 voor de Tweede Maasvlakte, en sinds 2011 ook voor de ‘Zandmotor’. Dat is de kust-aanvulling bij Kijkduin waar de jonge Ivan van Marrewijk vlakbij woont.

Bekijk hier een videoportret van Walter Langendoen, die op het strand van de Maasvlakte al meer dan 130 versteende hyenakeutels vond.

In al dat zand zitten fossielen en archeologische resten, en vaak andere dan de vissers naar boven brengen. Grotere botten liggen niet op het strand: die blijven steken in de filters van de zandwinningsschepen, de ‘sleephopperzuigers’. In het zand vind je juist de kleinere dierenbotjes, en relatief veel archeologische vondsten. Vuurstenen werktuigen, harpoenspitsen. En voor wie echt geluk heeft, stukjes oeroud mensenbot.

Die vondsten liggen niet meer op hun oorspronkelijke plek, zoals archeologen het liefst wensen. Maar het zijn er wel zoveel dát er tenminste iets onderzocht kan worden. Op dit moment liggen er menselijke botten uit de Noordzee bij het Max Planck Instituut in Jena, om het DNA uit de beenderen af te lezen.

Vorig jaar publiceerde een team onder leiding van hoogleraar Hans van der Plicht al een chemische analyse van zo’n dertig beenderen van Doggerland-mensen die 11.000 tot 8.000 jaar geleden leefden.

De koolstof- en stikstof-isotopen geven informatie over hun dieet. Ze aten vooral zoetwatervis uit de rivieren die toen door de vlakte stroomden.

De stapel vondsten om te onderzoeken wordt almaar hoger, want er zijn naar schatting een paar honderd zoekers zoals Ivan actief.

Frustratie

Maar dat betekent nog niet dat het landschap van de Noordzee-mensen in beeld komt. Rond 2010 was daarover „frustratie”, vertelt Marc Hijma van onderzoeksinstituut Deltares. Hij was toen postdoc bij hoogleraar Wil Roebroeks (Universiteit Leiden), en deed onderzoek rond de Noordzee-Neanderthaler Krijn die in 2009 met gejuich was binnengehaald. „We probeerden het landschap in kaart te brengen waarin hij leefde. Dat landschap is deels nog intact, onder zee. Maar er was destijds geen beleid om in de Noordzee archeologisch onderzoek te doen naar de prehistorie, bijvoorbeeld bij zandwinning.”

Noordzee-pionier Leendert Louwe Kooijmans, inmiddels emeritus-hoogleraar archeologie, denkt dat archeologisch onderzoek weinig kans van slagen heeft. „Om een kampement te zoeken, moet je een meer- of beekdal-afzetting weten te vinden. En dat is op land al lastig genoeg.”

Anderen denken dat het wel kan, als je er geld in steekt. Maar dat geld is er niet. Conservator Luc Amkreutz: „Het zou mooi zijn als iemand bij de amateurs langs zou gaan om hun belangrijke stukken vast te leggen.” Dat kost een paar duizend euro, maar dat geld heeft de Werkgroep Steentijd Noordzee niet.

De kaart van de Noordzee-landschappen die nu gemaakt is, is een begin, vertelt TNO-geoloog Sytze van Heteren, die met de Rijksuniversiteit Groningen en Deltares onderzoek deed voor de kaart. „Hij laat grofweg zien waar nog intacte verdronken landschappen te verwachten zijn.”

Hij en zijn collega’s tekenden de kaart op basis van „gemakkelijk van de plank te halen informatie”: kaarten, in de jaren 70, 80 en 90 door de overheid gemaakt van de zeebodem. De bovenste vijf meter van die bodem is het best onderzocht, van diepere lagen is veel minder bekend.

De kaart bestaat uit grote vlekken. Maar de eerste kaarten van het Nederlandse Noordzee-landschap waarop je vroegere heuvels, valleien en rivieren kunt zien, zijn al gemaakt. TNO publiceerde ze in 2014 in het Netherlands Journal of Geosciences, met de Britse archeoloog Vincent Gaffney.

Gaffney van de University of Bradford is een pionier. Hij is al meer dan tien jaar bezig om het verdronken landschap ten oosten van Engeland in kaart te brengen. „Door Gaffney’s werk ontstond in Nederland het besef: dit hebben wij ook”, vertelt de Amsterdamse onderwater-archeoloog Seger van den Brenk.

Gaffney gebruikt seismische 3D-gegevens uit de olie- en offshore-industrie, verzameld vanaf schepen die een waaier van sonargeluid de bodem in zenden. Onderzoeksbedrijf Fugro heeft in 2011 maar liefst 8.500 vierkante kilometer van de Nederlandse Noordzee in detail doorgelicht. Zulk onderzoek is heel duur, vertelt Sytze van Heteren, maar na tien jaar worden die gegevens openbaar – gratis.

Combineer dat met goedkopere ‘2D’-seismiek en data van al uitgevoerde boringen, verricht liefst nog aanvullende seismische metingen en boringen per schip, en voilà, dan heb je een realistisch beeld van de Noordzeevlakte zoals die er de afgelopen 50.000 à 100.000 jaar bij lag. Het kan, staat in het rapport Proef Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) Noordzee uit 2014, waaraan Van Heteren meewerkte. De kosten worden geschat op ruim 1 miljoen euro, en nee, financiering is niet in zicht.

Windmolenpark

Van Heteren: „Dan heb je een kaart die zo gedetailleerd is, dat je bijvoorbeeld kunt beslissen om een windmolenpark op zee zo aan te leggen, dat je niet een belangrijk intact landschap zo min mogelijk verstoort.”

En nog een stap verder: dat je vóór de aanleg van zo’n windmolenpark, of bij zandwinning of het trekken van een kabel gericht archeologisch vooronderzoek doet. De Beleidsnota Noordzee schrijft dat voor.

Meestal blijft het bij bureau-onderzoek, en sonar-onderzoek dat vooral is gericht op scheepswrakken.

Maar steeds vaker wordt er ook écht gegraven, of in ieder geval geboord, op zoek naar prehistorisch landschap. Een vaste werkwijze is er nog niet. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is er mee bezig; de nieuwe kaart van de Noordzee-landschappen hoort daarbij.

Zulk onderzoek is vorig jaar gedaan voor de aanleg van windmolenpark Hollandse Kust Zuid, vertelt Seger van den Brenk van onderzoeksbureau Periplus dat de studie uitvoerde. „Het is veelbelovend. Uit modellen blijkt dat er een grote kans is op een intact landschap. Er zijn tientallen boringen verricht. Drie ervan liggen nu in Oxford, voor stuifmeel-analyse en C14-datering.”

Maar de kans dat je ín een boorkern archeologisch interessant materiaal vindt, zoals een vuurstenen werktuig, is miniem.

Als je graaft, kan dat wel.

Het Havenbedrijf Rotterdam liet in 2011 op één van de zandwinlocaties voor de Tweede Maasvlakte, de Yangtze-haven, een grootschalig archeologisch onderzoek doen. Er waren al boringen en sonargegevens die lieten zien dat er een rivierduin onder water lag. Op 20 meter diepte werd de bodem voorzichtig opgezogen en onderzocht. Er werd gevonden waarop gehoopt werd: sporen van bewoning van 9.000 tot 7.000 jaar geleden.

Als je zoiets nou voor een landschap kon doen waarin Krijn leefde, denkt Marc Hijma van Deltares hardop. Er worden voor de Nederlandse kust op dit moment nieuwe locaties voor zandwinning aangewezen, vertelt hij – ook in de buurt van de vindplaats van Krijn. Als je nu een interessante laag vindt, zou je die laag, voorzichtig, kunnen opzuigen of afschrapen. „Zodat je die hele laag in een keer in een schip laadt. Dan kun je het daarna rustig op het land onderzoeken.” Bestaat er dan een kans dat je weer een Krijn vindt? „Ja”, zegt Hijma. „En die mogelijkheid is er in de Noordzee op heel veel plaatsen.”

Stukje schedel van Neanderthaler ‘Krijn’
Erik de Goederen
Neanderthaler-vuistbijlen
Rob Buiter
Kaak van monniksrob
Nico Vermeer
Onderkaak van berberaap
Natuurhistorisch Museum
Versteende drol van een grottenhyena
Natuurhistorisch Museum

In een eerdere versie van dit artikel stond een verkeerde kaart. De fout is hersteld in deze versie.