Wat de ‘verliezers van de globalisering’ willen

Europa Is er een Europese revolte in de maak? In provinciestadjes in Duitsland, Frankrijk en Finland wonen ‘verliezers van de globalisering’. Ze klagen over migratie, politici en media. Maar de grootste wens is: jezelf kunnen redden. Leren. Mobiel zijn.

Toen ze 22 was vroeg Alexandra Morisse voedselhulp aan. Haar dochtertje had haar vijfde verjaardag gevierd, haar zoontje was drie. Nadat Alexandra op haar zeventiende was gestopt met school, had ze snel werk gevonden. Ze werd serveerster, in Beauvais, het Noord-Franse stadje waar ze was geboren en getogen. Dat ziet ze nog altijd als bewijs dat je wel werk kunt vinden. Als je maar wil. Na vier jaar was ze gestopt. Ze ging fulltime voor de kinderen zorgen. Nog een jaar later was ze gescheiden, een werkloze moeder alleen. Nu ze er twee jaar later op terugkijkt, vindt ze dat ze het in die tijd „echt moeilijk” had. Le Resto du Coeur, de armenhulp, kon haar niet helpen. Alexandra Morisse bleek niet arm genoeg voor een dagelijks voedselpakket. Ze had geen schulden en was niet dakloos. Ze wil best aannemen dat er anderen waren die harder hulp nodig hadden. Maar dat waren mensen die nooit hadden gewerkt. Migranten. Ze heeft toen een levensles geleerd die ze haar kinderen doorgeeft: „Je kunt op niemand rekenen.”

NRC ging op bezoek in drie Noord-West Europese stadjes waar zogenaamde ‘verliezers van de globalisering’ wonen. Het gaat in elk geval om vaak laagopgeleide mensen met weinig kansen op de arbeidsmarkt. Ze wonen in plaatsen waar economische dynamiek ontbreekt. Veel bedrijven gingen er de afgelopen twintig jaar failliet of weg en bijna alle fabrieken hebben de deuren intussen gesloten. Deze steden gelden als wingebied voor populistische politici: die boeken hier bovengemiddelde resultaten. Als er sprake is van een ‘Europese revolte’ in ontwikkeling, zou je verwachten dat die daar begint.

Dit is mijn Duitsland niet meer

Evelyn Blaschke (57)

Beauvais in Frankrijk, Frankfurt an der Oder in Duitsland en Lohja in Finland waren al in de Middeleeuwen bloeiende regionale steden. Ooit waren ze knooppunten van handel, ze kenden perioden van industriële ontwikkeling en (geo-)politieke betekenis. Nu, tien eeuwen na het begin, lijken ze op een zijspoor van de geschiedenis beland.

In alledrie de drie steden verhuizen talentvolle jongeren en de achterblijvers worstelen met gebrek aan werk, armoede, immigratie en soms isolement.

Hoe zien Fransen, Duitsers en Finnen in deze stadjes hun toekomst? Waar dromen ze van en wat frustreert ze? En ook: lijken ze op elkaar? Vertellen ze samen één verhaal over Europese levens anno 2017, ondanks de verschillen in economische omstandigheden, nationaal beleid en lokale geschiedenis?

Frankfurt: we redden ons met wat we hebben.

In Frankfurt an der Oder, aan de Pools-Duitse grens, is het eerste wat Evelyn Blaschke denkt als ze om vier uur in de ochtend wakker schrikt: waar gaat het geld heen? Niet háár geld – samen met haar man is het haar altijd gelukt voor genoeg inkomen voor het gezin te zorgen. Steeds als haar baan verdween – en dat gebeurde regelmatig sinds de Duitse eenwording in 1990 – vond ze een nieuwe. Ze beheerde een benzinestation, werkte bij een makelaar, was sociaal werkster, en nu, op haar 57ste, leidt ze de armenhulp: de Frankfurter Tafel. Een baan met toekomst, want het aantal armen groeit. Niet alleen zijn bijna 19.000 van de 58.000 inwoners werkloos. Er komen ook steeds meer gepensioneerden bij. Pensioen, dat betekent voor veel ouderen, zeker in de voormalige DDR, waar bijna niemand een doorlopend arbeidsverleden heeft, vaak: armoede – minder dan ongeveer 900 euro, volgens de Duitse norm.

Op de begane grond van een flat in het centrum van Frankfurt drijft Evelyn met tientallen vrijwilligers een „Domizil Offene Tür” waar geregistreerde armen ontbijten en samen koffie drinken. Elke week kunnen ze een voedselpakket halen. Vrijwilligers selecteren het overgebleven voedsel dat ze hebben opgehaald in de supermarkten: Lidl, Aldi, Kaufland.

Vrijwilligers Monika Dachwitz en Christina Meyer zijn net terug van hun dagelijkse ronde langs vier lagere scholen. Aan tachtig ingeschreven kinderen die thuis geen of te weinig ontbijt krijgen, leveren ze voor dertig cent een pakket waarmee ze de dag doorkomen: een broodje, wat salade, iets zoets. Vandaag zaten er ook kipnuggets in het pakket. „Dan komen er nog wat extra kinderen langs”, lacht Monika. Ook kinderen van immigranten, zegt Christina: ze houden zelfs rekening met (religieuze) dieetwensen.

Zolang het lukt. Want het wordt steeds moeilijker geld te krijgen voor armenhulp. Dáár denkt Evelyn aan als ze wakker schrikt: hoe kan het dat zij ligt te piekeren over een paar euro opdat iedereen kan eten, terwijl de regering in Berlijn elke jaar twintig miljard euro aan vluchtelingen besteedt? Steeds vaker denkt ze: „Dit is mijn Duitsland niet meer”.

Niet alle Frankfurters praten graag. Zeker niet in Neuberesinchen, een arme wijk waar Alternative für Deutschland rekent op een flinke stembuszege bij de Bondsdagverkiezingen dit najaar. Monika Dachwitz woont er, met haar man Stefan (38). Hij is opgeleid als schilder en werkt nu als deeltijdchauffeur bij de Tafel. Monika is 47 jaar en ze moeten even tellen hoeveel kinderen ze zelf heeft. Ze komt tot zeven, plus het kind van haar dochter, dat ook bij hen woont. Volgens Monika is Neuberesinchen er op achteruitgegaan sinds de ‘Platten’ uit de DDR-tijd zijn afgebroken. Tussen de nieuwe flats zijn nu grote lege grasvelden. Er zijn minder woningen nodig dan voorheen, want sinds de Duitse eenwording is de bevolking van Frankfurt met ruim 30.000 mensen gedaald. Er komen steeds nieuwe buren, zegt Monika, en die blijven nooit lang. „Niemand zegt nog gedag”.

Het arbeidsbureau in het centrum van Frankfurt wil Monika aan betaald werk helpen. Ze moet een sollicitatiecursus volgen, bereid zijn te verhuizen. „Maar mensen als Monika kun je niet overplanten”, zegt Evelyn Blaschke. „Ze zou ziek worden”. Niet dat ze niets wil doen. Monika staat elke dag om 7 uur op voor een halve dag vrijwilligerswerk: bij de Tafel krijgt ze daar alleen 60 euro per maand onkostenvergoeding voor. Ze bouwt geen pensioenrechten op. Maar ze vindt dit wel een zinvol bestaan, zegt ze. De enige luxe die ze zich permitteert: naar de kapper. Maar dan wel in Slubice, aan de overkant van de brug. Dat is drie keer goedkoper dan in Frankfurt. Zo komt ze af en toe ergens. In het buitenland, zelfs.

Lohja: wachten op de trein

„Van al mijn jeugdvrienden ben ik de enige die hier gebleven is en niet heeft doorgestudeerd”, zegt kapster Kirke Rummukainen (39). Haar kapsalon fungeert al jaren als een ontmoetingsplek in een piepklein winkelcentrumpje in Routio, een buitenwijk van Lohja. Het stadje in Zuid-Finland ligt uitgespreid langs de oevers van een meer – je kunt 72 kilometer langs het water rijden zonder de stad te verlaten. Gevolg: niemand komt toevallig langs kapsalon Fantasy van Kirke Rummukainen. Vandaag knipt ze Anne Räsänen (53), een Laplandse die in een voorstad van Helsinki werkt en zich in Routio heeft gevestigd omdat de afrit van de snelweg lekker dichtbij ligt. Kirke vertelt dat vroeger iedereen in Routio bij papierfabriek om de hoek werkte – een goede werkgever was dat. Ze vindt Lohja een goede plaats om haar zoon, die nu 15 is, op te voeden. Het is er rustig, de kinderen kunnen de natuur in. Maar ze maakt zich zorgen over zijn toekomst. „Onze kinderen krijgen het zwaar. Vast werk wordt schaarser. Je moet leren, de wereld wordt steeds onzekerder.”

Lohja kent ook armoede; bij de voedselbank staan op een dinsdagmorgen enkele tientallen mannen te wachten. Maar als je werkloos wordt, of met pensioen gaat, is hier het grootste probleem niet de levensstandaard. De belangrijkste vraag is: hoe voorkom je isolement?

Timo Seppälä (30) is buurtwerker in Routio. Hij maait er het gras, organiseert bewonersavonden over de geschiedenis van de wijk zodat mensen er even uit kunnen en helpt waar nodig praktische zaken op te lossen – zoals vervoer naar de twee straten die het centrum van Lohja vormen. Hij noemt zichzelf „een service die is teruggekomen naar de wijk” – want in Lohja zijn ze gewend dat er juist steeds minder voorzieningen in de uithoeken van de stad zijn.

Timo heeft niet echt een uitgebreid sociaal leven, zegt hij. Hij zou wel willen verhuizen. Naar Turku, aan de westkust van Finland. Een grotere stad, zijn zus woont er en misschien is er meer werk. Sinds hij op zijn 27ste besloot dat telefoons verkopen niet beantwoordde aan zijn idee van een zinvol leven, was hij bijna drie jaar op zoek naar werk. In Routio, waar hij nu zes maanden werkt, krijgt hij het gevoel zinvol te zijn. Meer vraagt hij niet. Voorlopig blijft hij dus in Lohja. Hij wacht wel op de volgende trein, lacht hij. Dat is een standaardgrap van hem. De laatste keer dat er een trein in Lohja stopte was in 1981. Zeven jaar voordat Timo geboren werd. Al jaren wordt er gepraat, maar het duurt nog zeker tien jaar voordat de volgende trein in Lohja stopt.

Finland gaat de verkeerde kant op, zegt Timo. Ze zeggen dat research and development en biotech de toekomst zijn voor zijn land, maar de gewone Fin merkt daar niets van. Het land zou professionele politici moeten hebben, vindt hij, die macht krijgen om wat ze kunnen, niet om hun partijlidmaatschap. Het meest stoort hem de discussie over immigratie. Als je er kritisch over bent, ben je meteen een racist. Migratie is geen probleem om grapjes over te maken. Het is ernstig. Het gaat er niet om dat je in Lohja nauwelijks migranten ziet. Het gaat om de arrogantie van de ‘suvakki’ – een Fins neologisme dat zoiets betekent als de ‘achterlijk-toleranten’. „De suvakki moeten gestopt worden”, zegt Timo Seppälä. Finland moet beter voor zichzelf opkomen.

Ik beoordeel mensen niet op hun afkomst, maar op hun daden.

Kirke Rummukainen

Vijf kilometer verderop zegt Kirke Rummukainen gedecideerd: migratie. Dat is het grootste thema in Finland. De kapster en haar klant zeggen dat ze vooral bang zijn voor de islam, en hoe die Europa zal veranderen. Kirke legt de schaar neer, en zegt dat ze zelf links stemt. Maar ze ergert zich aan het debat over immigranten. Het is een schreeuwpartij geworden, tussen aan ene kant de suvakki en de andere kant de nationaal-populistische Finse Partij. Laatst hoorde ze een verslaggever op de radio praten over de „Finse white trash” die zich tegen migranten zou keren. „Dat zo’n verslaggever, nota bene van de publieke omroep, zich zo uitlaat is een schande. Die zou juist aan onze kant moeten staan. Ik ben géén racist omdat ik kritisch ben over immigranten. Ik beoordeel mensen niet op hun afkomst, maar op hun daden.” Anne ziet vooral de omgang met vrouwen door moslims als een probleem. „Het mengt nu eenmaal niet goed”, zegt Kirke.

Frankrijk: race naar de bodem van de put

Wie kritisch is over migratie, wordt meteen racist genoemd. Dat is een klacht die je in elk van de drie stadjes vaak hoort. Migratie wordt steevast genoemd als een van de grootste problemen van het land – en lang niet alleen door mensen die rechts stemmen. Ook maakt het niet uit of er veel migranten in de stad zelf zijn. Alledrie de stadjes hebben een asielzoekerscentrum, maar in het Finse Lohja zie je nauwelijks niet-westerse migranten op straat. In Beauvais is de bevolking juist heel gemengd. Heel wat Fransen in Beauvais verklaren van deze ‘mixité’ te houden, en eigenlijk niemand heeft er principiël bezwaren tegen. Wat betekent dat dan: migratie als grootste probleem?

Alexandra Morisse, de alleenstaande moeder van twee kleine kinderen in Beauvais, woont in Argentine. Deze wijk is in de jaren zestig als arbeiderswijk gebouwd. Argentine is altijd een toonbeeld geweest van ‘mixité’, zegt een 35-jarige jeugdwerker die er is opgegroeid. De charcuterie met varkenvlees zit naast de oosterse kruidenwinkel. Samenwerken doe je in Beauvais in de eerste plaats in verenigingsvorm. Meer dan 600 telt Beauvais er – één op elke 90 inwoners.

Achter de raamloze deur van het verenigingslokaal van de grote avenue van Argentine, op de begane grond van een woontoren, staan vrijdagmorgen minicroissantjes klaar. Vrijwilligers en medewerkers van meerdere hulpprojecten delen twee bureaus met computers. Nesrine Gourari (31), een Marokkaanse alleenstaande moeder, helpt mensen hun woning te in te richten – orde als eerste stap uit de misère. Teresa Jacquemod (53), een ondernemer van Portugese afkomst die alles kwijtraakte na een scheiding en een depressie, is bezig in verenigingsverband een traiteur op te starten met ‘wereldsmaken’. Vicky Lelièvre (43) traint gedetineerde jongens.

De centrale figuur in het vrijwilligerslokaal is de voorzitter van de belangenvereniging voor huurders. Eddy Gazon (48) is hier dagelijks, soms van negen tot negen. Een vent met het hart op de goede plaats, zegt iedereen, die al zo lang hij zich herinnert vrijwilligerswerk doet. Zeven jaar geleden ging het mis terwijl hij aan het werk was – hij is al twintig jaar onderhoudsmedewerker op de universiteit. Pats, de pees in zijn rechterschouder afgescheurd. Hij heeft nog altijd moeite met het dichtdraaien van het ijzeren rolgordijn in zijn huurflat. Als hij de verhuurder zou bellen, kreeg hij zo een elektrisch rolgordijn, dat weet hij zeker. Maar dan denkt hij aan anderen die hulp nodig hebben. Een gezin zonder één euro dat de rolstoel niet de badkamer in krijgt. Een vrouw die haar kinderen opvoedt in een beschimmeld huis, maar niet kan verhuizen omdat ze een huurachterstand heeft.

Eddy weet wat armoede is. Hij is een kind van Argentine. Zijn moeder, die hem hier opvoedde, had altijd moeite om rond te komen. Nu leeft ze van 700 euro pensioen in de maand. Sinds hij huurders helpt, weet hij dat ze bij de bovenste helft van de wijk zit.

Politici hebben de wijk vooral de laatste tien jaar links laten liggen, in zijn ogen. Straten worden slecht onderhouden. De grote verhuurders halen alleen het geld op, tot onderhoud moet je ze dwingen. En de mensen hebben een mij-kan-het-niets-schelen-mentaliteit gekregen. Ze zorgen niet voor hun buurt.

Maar de grootste verandering, vindt Eddy Gazon is de immigratie. De laatste jaren is die massaal geworden, vindt hij. Vooral Afrikanen. Die komen niet om te werken, denkt hij. „Wat opvalt is dat ze meteen weten waar je hulp kunt krijgen. Ze zijn heel erg goed op de hoogte.” Eddy Gazon ziet een verband tussen de moeite van mensen als Alexandra Morisse om hulp te krijgen en immigratie. De armen hebben concurrentie gekregen van mensen die nóg minder hebben. „Pas als je op de bodem van de put zit, krijg je hulp”.

Ik zou ook blij zijn als ze mij zouden opvangen als ik morgen vluchteling zou zijn.

Jean-Pierre Poher (71)

Niet alleen migranten concurreren met de armen om middelen in Beauvais. In het stadshart spuit een fonkelnieuwe fontein. Die heeft de gemeente twee jaar geleden laten aanleggen. Ook het museum is opgeknapt, naast de kathedraal. Ze zijn eraan begonnen in de twaalfde eeuw, maar hij is nog niet af. Dat zal ook niet meer gebeuren. De moskee komt wel af: daaraan wordt druk gebouwd. Die moskee maakt Eddy Gazon boos. De moslims van de stad hebben het bouwterrein voor een symbolisch gedrag gekregen. „We zijn te aardig,” zegt hij – zelf protestant. Zij komen hier om hun cultuur en geloof op te leggen. En wij laten ze maar toe.”

Eddy’s opvattingen over buitenlanders komen hem op kritiek te staan van andere vrijwilligers. Zoals van Jean-Pierre Poher (71), sinds veertig jaar in Argentine. „Ik heb niets tegen buitenlanders”, zegt hij. Frankrijk heeft vroeger zelf de koloniën leeggeroofd en bovendien bedreigt klimaatverandering veel mensen in Afrika. „Mensen moeten toch ergens heen. Ik zou ook blij zijn als ze mij zouden opvangen als ik morgen vluchteling zou zijn.”

„Het ligt niet aan de buitenlanders Eddy”, zegt Teresa Jacquemod. Ze komt zélf uit het buitenland, uit Portugal. Open grenzen zijn belangrijk, vindt ze. Haar jongste dochter (17) droomt er van naar het buitenland te gaan. Zelf voelt Teresa vooral angst over de toekomst van haar kinderen en kleinkinderen. „De menselijkheid is weg”. De enige in het lokaal die zegt dat haar kind het beter zal krijgen, is Nesrine, de Marokkaanse moeder. Twee jaar geleden was ze dakloos, na een moeilijke scheiding. Inderdaad, op de bodem van de put. Vrijwilligers hebben haar erbovenop geholpen.

Als Nesrine ’s middags weg is, zal Eddy zeggen dat échte vluchtelingen welkom zijn. Maar niet de broer van Nesrine, die in Beauvais zoekt naar een echtgenote om papieren te krijgen.

Frankfurt: Polen maken de vrouwen mooi

Bij Evelyn Blaschke aan de Frankfurter Tafel staat het middageten op tafel. Paprika gevuld met vlees, en aardappelpuree. Van de rechtse partij Alternative für Deutschland moeten ze niets hebben, onderstrepen de vier vrijwilligers die meeëten. Martine Seifert (57) noemt zich net als Evelyn „eerder links”. Hans-Werner Judas (51) stemt nooit. Hij verlangt terug naar de DDR-tijd. Evelyn geeft iedereen te eten, zegt ze. Dat geldt net zo goed voor de 600 à 700 vluchtelingen die bij haar zijn ingeschreven voor voedselpakketten – bijna de helft van het totaal intussen – als voor de enkele hongerige Litouwer die van ver komt lopen, of de arme Pool die alleen maar de brug over hoeft uit de grensstad Slubice. Maar als niet-ingeschreven buitenlanders stelselmatig terugkomen, noemt ze dat misbruik. Dan gaan de deuren dicht. Ze moet wel. Anders blijft er niets over.

„De immigranten keuren onze cultuur af”, vindt Hans-Werner Judas. „De culturen botsen op elkaar.” Hij noemt de aanslagen in grote steden als voorbeeld – in eigen stad is hij er niet zo bang voor. De islam wordt in de drie stadjes regelmatig genoemd als bron van angst en geweld. Het gevaar van het Rusland van president Poetin wordt juist overschat genoemd.

In Frankfurt is de hele tafel het eens: politici moeten harder zijn. Zo’n Nederlandse premier die Turkse politici niet het land inlaat: dat is goed, vindt Hans-Werner Judas. Evelyn begrijpt wel dat Duitse politici altijd maar verwijzen naar het nationale verleden en de historische plicht van Duitsland. „Maar onder dat verleden moeten we nu een streep zetten. Wie geeft er om de mensen hier?”

De immigranten keuren onze cultuur af

Hans-Werner Judas (51)

De belangrijkste buitenlanders in Frankfurt zijn de buren. De Polen hebben wel hun eigenaardigheden, zegt Martine Seifert: „Zoals wij zeggen: Duitsers maken hun huizen mooi. De Polen maken de vrouwen mooi”. Maar juiste armere Frankfurters prijzen de dag dat Polen bij de EU kwam, in 2004: sindsdien zijn er geen files meer voor de brug, om aan de overkant goedkope boodschappen te doen. Ze vinden het begrijpelijk dat steeds meer Polen in Frankfurt werken. Zesduizend zijn het er nu, volgens de officiële cijfers. De vrijwilligers zien dat ze het in Duitsland nog altijd beter hebben: aan de overkant is het veel armer.

Harder worden de opvattingen over Polen soms bij mensen die het beter hebben. Burckhard Meyer (74) begon meteen na de Wende een elektrotechnisch bedrijfje. In zijn huis aan een idyllische dorpsstraat aan de rand van Frankfurt laat hij trots twee foto’s zien. Links een luchtfoto hoe het huis was in de DDR: armoedig, klein, met schroot in de tuin. Rechts hoe het nu is: twee keer zo groot, netjes onderhouden, achter in de tuin een zwembad. Meyers dochter Annett, die morgen haar vijftigste verjaardag viert, vindt niet alleen de Duitse huizen, maar ook de Duitse vrouwen mooier dan de Poolse. Haar eigen kapper zit gewoon in Frankfurt, Ze gaat nooit naar Polen. Ook niet voor een dagje uit. Te gevaarlijk. Je auto is zo gestolen. Iedereen knikt.

Beauvais: terug naar de tijd van de koningen

Wat je overal hoort, van links tot rechts, in Lohja evengoed als in Frankfurt en Beauvais: politici zijn er niet voor ons. En media staan aan de kant van politici en bedrijven, van Europa.

Huurbemiddelaar Eddy Gazon in Beauvais heeft eens even zitten rekenen. Als ambtenaar met eenvoudig werk zit hij op de top van zijn salarisschaal, 1.400 euro netto per maand. Dat betekent dat hij bijna 50 jaar moet werken voor de acht ton die de rechtse presidentskandidaat François Fillon aan zijn echtgenote Penelope betaalde – voor werk dat ze niet echt hoefde te doen. Eddy’s vrouw is lerares. De ene wet zegt dat haar leerlingen in de klas altijd in gezelschap van een leraar moeten zijn. Daarom werkt ze 41 uur per week. Maar overwerk is verboden voor ambtenaren, dus ze krijgt maar voor 35 uur betaald. Zijn dochter van 24 woont nog thuis. Ze is opgeleid als apotheker maar vindt alleen tijdelijke baantjes. Ze heeft een auto nodig om haar kansen te vergroten, maar ze kan geen lening daarvoor afsluiten – omdat ze alleen maar tijdelijke baantjes heeft. Eddy’s conclusie: „Er zijn twee werelden. De wereld van de rijken die regeren. En de wereld van het volk, dat geregeerd wordt. Het verschil wordt steeds groter.”

Nu is Jean-Pierre Poher, de gepensioneerde vrijwilliger die eerder protesteerde tegen Eddy’s kritiek op immigratie, het wél met hem eens. „We keren terug naar het tijdperk van de koningen” – naar de tijd van vóór de Franse revolutie van 1789. Toen Jean-Pierre veertig jaar geleden als fabrieksarbeider begon in Beauvais, kon je altijd werk vinden. Slecht werk, laagbetaald, maar je was wel aan het werk. Toen hij begin jaren tachtig op staat kwam te staan, ging hij gewoon verder in het restaurant waar zijn vrouw werkte. Zij hebben zich altijd kunnen redden. Maar de jongeren van nu kunnen daar niet meer op rekenen. Ook niet als ze van goede wil zijn, denkt Jean-Pierre.

Ze zijn het erover eens dat de Europese Unie goed was voor bedrijven, rijken en politici, die het zelf alleen maar beter hebben gekregen. Degenen die achterblijven, hebben het alleen maar slechter gekregen. Eigenlijk zou iedereen overal evenveel moeten krijgen – in heel Europa, of zelfs in de hele wereld. Dat zou rechtvaardigheid zijn. Maar ze zien het niet gebeuren. Ook de verkiezingen zullen geen verschil maken. „De media hebben allang besloten wie het wordt, het scenario is geschreven. In de tweede ronde roept iedereen op om Emmanuel Macron [partijloze centrumkandidaat, red] van Marine Le Pen te laten winnen.”

Lohja: je moet het zelf doen

Andere, betere politici, dat willen veel mensen – al verwacht niemand dat nieuwe leiders, zoals Marine Le Pen, het beter zouden doen. Zie Trump, hoor je dan. Ook niet genoemd als oplossing: revolutie, een sterke leider, of weg uit Europa.

Maar er is wel een andere oplossing die vaak genoemd wordt. Als een echo gaat dezelfde zin door Lohja, Frankfurt en Beauvais: je moet jezelf kunnen redden. Reken op niemand, zorg voor jezelf. Hoe je dat doet? Door te leren. Wie zich kan aanpassen aan verandering, krijgt vertrouwen in de toekomst. Politici, werkgevers en ook het stadje waar je opgroeit hebben geen zekerheid meer te bieden. Het belangrijkste wat je ouders je kunnen meegeven: vertrouwen en stabiliteit.

Ouders in Beauvais, Frankfurt en Lohja zeggen dat ze hopen dat hun kinderen gelukkig worden, zich ontplooien. Rijk of succesvol worden is minder belangrijk dan een bestaan opbouwen dat je zinvol vindt. Opvoeden, is het credo tegenwoordig, draait niet om het streven dat de kinderen het verder zullen schoppen dan jezelf, maar om het opbouwen van persoonlijke waarden en vaardigheden waarmee je je lot in eigen hand houdt.

Weer aardappelpuree. Nu is het gemaakt door Kati Jokala (48) in het Finse Lohja. Ze heeft ook gehaktballetjes gemaakt. En een frisse saus van zelfgeplukte bosbessen. Het gezin schept op. Zoon Tero (15) heeft net zijn eerste zomerbaantje gevonden: hij gaat instructiefilmpjes maken voor een bank om ouderen in Lohja te helpen van digitale diensten gebruik te maken. Hij verdient geld op YouTube met zijn eigen video’s van de games die hij speelt. Moeder Kati is trots. „We gaan een nieuwe wereld binnen, waar onze kinderen zich nu al beter in kunnen redden dan wij.”

Aan tafel keren Tero, zijn zus Aurora (17) en haar vriend Timi (18) zich tegen de Finnen die het land „willen bewaren zoals het was”. Dat kan niet, zeggen ze: alles gaat veranderen. Alles wordt digitaal, en mensen zijn steeds meer zelf verantwoordelijk voor hun lot en geluk. Voor een stadje als Lohja is in die nieuwe wereld geen toekomst, denkt Tero: „Straks heb je nog een paar grote steden die de beste faciliteiten hebben, en het platteland voor mensen die buiten willen wonen. De kleine steden, zoals Lohja, krijgen een oudere bevolking zonder moderne middelen.” Hij gaat in Helsinki wonen, en anders in Amerika of Canada. Aurora en Timi hoeven niet per se naar het buitenland, maar in Lohja blijven ze ook niet. Helsinki ligt voor de hand, vinden ze.

Finland wordt geroemd om zijn onderwijssysteem. Alle kinderen gaan tot hun zestiende naar de ‘basisschool’ en daarna volgt een driejarige topschool: een algemeen ‘gymnasium’ of een gespecialiseerde beroepsopleiding. Studeren is relatief goedkoop – als je tenminste door de zware selectie komt die voor vrijwel alle opleidingen geldt. Maar dat lukt niet altijd. Bij ‘Project 2020’ in Lohja controleert een twintigtal jongeren de kwaliteit van tweedehandsgoederen, ze verpakken en verkopen ze. De jongeren hier zijn met hun opleiding gestopt of gediplomeerd werkloos. Ze kunnen hun weg niet vinden. Een stage van zes maanden moet je op weg helpen. Ze krijgen verantwoordelijkheid, maar niet te veel. Fouten mogen.

Julia Laukkanen (21), een kleine vrouw met roodgeverfd haar, wilde Engels studeren, maar ze werd twee jaar geleden niet aangenomen aan de universiteit. Haar toekomst stortte in. Ze voelde zich toch al verloren in Lohja, waar ze met haar moeder heen was verhuisd na de scheiding van haar ouders. Een jaar lang zat ze depressief thuis. Het was haar moeder die haar naar Project 2020 stuurde. Doe tenminste íets, was de boodschap. „Ik moest mijn obsessie met studeren loslaten. Ik wilde zo graag weg, dat ik dacht dat dat de enige mogelijkheid was”, zegt ze. Nu volgt ze een opleiding tot reisassistent, en ze is optimistisch. „De toekomst is wat je er zelf van maakt – als individu”, zegt ze. Met haar Australische vriend hoopt ze te gaan reizen. Ze is hard voor mensen die het niet maken, met alle structuren die er in Finland zijn. „Als je valt, is dat je eigen schuld. Het betekent dat je hulp weigert.”

Janne Sohlberg (24), zwaarlijvig, groot, hoort het aan en bekent dat hij niet zo optimistisch is. Hij heeft zijn opleiding al af, als vormgever en fotoredacteur op een journalistieke opleiding, in Tampere. Daarna is hij teruggegaan naar Lohja, waar hij geboren en getogen is. Maar werk? Niet te vinden. Politici zijn corrupt, denkt hij, ze denken alleen maar aan zichzelf. Net als Timo Seppälä en kapster Kirke Rummukainen heeft hij het voorzien op de ‘suvakki’: de tolerantiegelovigen die geen zorgen toelaten over Europa of de immigratie. De globalisering heeft ook goede kanten, zegt hij: nu zijn er zelfs Japanse toeristen op Lapland. Omdat ze denken dat het daar veilig is. Veiligheid is het allerbelangrijkste, vindt hij. Het gaat erom dat je een plek hebt waar het leven veilig is. Er kan nieuwe oorlog komen, ook in Europa. Door de islam, door het Midden-Oosten, door de migratie uit Afrika. Finland zou als klein land niet zonder de Europese Unie kunnen, maar het moet daarbinnen wel harder voor zichzelf opkomen. „We zijn te lief”.

Frankfurt: Denk aan jezelf

In Frankfurt an der Oder kom je, behalve studenten, nauwelijks jongeren tegen. „Ik ben de enige uit mijn vroegere klassen die hier nog woont”, zegt Marko Köster (30). Hij begeleidt de plaatselijke fanfare, en kan op afstand werken omdat hij een it-bedrijfje heeft. Zolang als het duurt, zegt hij. „Ik zou graag ergens in dienst zijn.” De zoon van Evelyn Blaschke, ook 30 jaar, werkt bij de hoogtechnologische opvolger van de halfgeleidersfabriek die vroeger in Frankfurt stond. Ook hij is gebleven. Maar zij maakt zich geen illusies. Ze zegt: „De stad heeft de Wende niet overleefd”. Een gepensioneerde die dagelijks bij de Tafel komt ontbijten noemt Frankfurt „een stad van werklozen, gepensioneerden en vluchtelingen”.

De stad heeft wel zijn best gedaan. Frankfurt was een van de eerste Duitse plaatsen waar op grotere schaal zonne-energie werd gewonnen. Te vroeg: tegen de tijd dat Merkels Energiewende op gang begon te komen, waren de bedrijven alweer weg. Sinds de jaren negentig heeft de stad weer een universiteit. Er zijn veel studenten uit Oost-Europa. De Duitse studenten komen ’s morgens met de trein uit Berlijn en gaan ’s avonds weer weg. De twee werelden mengen niet, zegt Velizara Yankova (23). Vijf jaar geleden is ze uit het Bulgaarse Plovdiv naar Frankfurt verhuisd omdat ze dacht dat ze in Duitsland een betere basis kon leggen voor een carrière als juriste. Frankfurt is een tussenstop: wel in Duitsland, maar toch relatief goedkoop. Ze betaalt alles zelf – elke maand is het spannend of ze kan blijven. Ze verbaast zich erover dat ze na vijf jaar werken maar vier mensen kent die écht uit Frankfurt komen. Het verbaast haar dat Frankfurters niet meer van hun stad maken: er is genoeg hulp voor jongeren, denkt ze. Soms kriebelt het bij haar om zich voor de stad te gaan inspannen. Maar dat rijmt niet met haar ambitie: „Frankfurt heeft niet echt een grote toekomst. En je moet éérst voor jezelf kiezen.”

In Beauvais is genoeg hulp, vindt Margaux Iribarnery (32), en niet alleen voor migranten. Zij is een geboren Beauvaisienne die gekozen heeft om hier te blijven – juist om te stad op te bouwen. Na haar studie rechten in Lille lukte het haar niet een stage in sociaal werk te vinden. Haar kennis was te theoretisch, zoals vaker in het Franse onderwijs, ze kon er weinig mee. Ze kwam, zoals veel jongeren, terecht als vrijwilliger bij een vereniging. Intussen heeft zij een eigen organisatie opgericht, Itinér’Air genaamd. Die geeft taallessen aan immigranten, in opdracht van de overheid en helpt mensen in sociale nood en werkloze jongeren. Itinér’Air is een vereniging, maar Margaux noemt het „bijna een bedrijf”. Ze neemt geen vrijwilligers aan. Dit jaar jaar breidt ze door aanbestedingen uit van 16 naar 30 werknemers. Onder anderen Nesrine (woninginrichting) en Teresa (wereldsmaken) uit Argentine werken bij haar.

Er is geen vast werk, als je iets onderneemt steken ze meteen een stok tussen je wielen.

Jean Dupré (29)

Margaux behoort tot de Fransen die verklaren „van diversiteit te houden”. Maar ze deelt één klacht met het andere kamp: „anti-elite, dat ben ik ook. De politieke klasse heeft zich losgemaakt van de samenleving.” De Franse overheid veroorzaakt in haar ogen ‘dehumanisering’ van mensen in nood door ze hard aan te spreken, en het zelfvertrouwen verder af te breken. Dat leidt tot een defensieve houding: mensen met een minimumuitkering voelen zich bang en geloven niet meer in eigen initiatief.

Denkt Margaux Iribarnery dat ze over tien jaar nog in Beauvais woont? Ze glimlacht. Het hoeft niet per se, ze kan ook ergens anders wonen. Dan zegt ze iets wat ook in Lohja en Frankfurt an der Oder vaker klinkt: maar dit is een fijne stad op menselijke schaal. Niet te groot, er is van alles te doen, de omgeving is mooi. En hier heeft ze een zinvol leven: „Ik heb niet zoveel invloed in de wereld, maar hier leg ik mijn gewicht in de schaal.”

De 24-jarige alleenstaande moeder Alexandra Morisse wil niet dat haar kinderen in Beauvais opgroeien. Ze droomt ervan op het platteland te wonen. Het zijn niet de migranten, zegt ze, de wereld is gewoon te hard geworden. „Weet je dat de restaurants hier ze ’s avonds bleekwater gooien over de etensresten, zodat de daklozen niet meer kunnen eten? Alle banen gaan naar landen als Spanje en Slowakije, en wij krijgen niets.”

Binnenkort komt haar derde kind – een jongetje – ze is op 15 juli uitgerekend. „We helpen elkaar”, zegt Jean Dupré (29), met wie ze staat te kettingroken in de tuin bij gezamenlijke familie – zijn oma. Jean is een tijdje verhuizer geweest, tachtig kilometer verderop in Parijs, maar ja, kijk eens hoe hij eruitziet, met zijn graatmagere lichaam. Elke morgen om vier uur op, hij hield het niet meer vol. Hij is weer bij zijn ouders gaan wonen. Nu hebben ze met zijn drieën ook niet meer genoeg om in hun levensbehoeften te voorzien. Hij heeft besloten geen kinderen te willen, in deze wereld. „Het gaat niet de goede kant op. Er is geen vast werk, als je iets onderneemt steken ze meteen een stok tussen je wielen. De generaties na ons zullen het nog veel moeilijker krijgen”, denkt hij.

Eind deze maand stemmen Alexandra en Jean allebei op Marine Le Pen, bij de Franse presidentsverkiezingen. „We hebben geen keuze,” zegt Alexandra Morisse. We hebben alles geprobeerd, zegt Jean Dupré. Alexandra: „Iedereen moet weer op zijn plaats gewezen worden. Wij moeten centraal staan, de mensen.”