Braindrain uit Oost-Europa door uitbreiding EU

Brain drain

De Oost-Europese wetenschap profiteert nog niet zo veel van de EU als gehoopt. Onderzoekers trekken naar het westen.

Na de toetreding van twaalf nieuwe landen, in 2004 en 2007, nam de samenwerking tussen West- en Oost-Europa jarenlang af. FotoGetty Images

Méér wetenschappelijke samenwerking tussen Oost- en West-Europa. Dat had Brussel voor ogen na de toetreding van in totaal twaalf nieuwe landen, in 2004 en 2007. Zo konden de toetreders zich optrekken in de mondiale strijd om kennis en menselijk kapitaal. Het tegenovergestelde is gebeurd, schreven drie wetenschappers woensdag in het tijdschrift Science Advances.

Tussen de oude en de nieuwe EU-lidstaten nam de samenwerking juist af, jarenlang. Pas na 2011 herstelde die zich weer voorzichtig. Belangrijke oorzaak is de uittocht van wetenschappers vanuit de nieuwe lidstaten richting het westen – een brain drain.

„Het is een onbedoeld effect van de EU-uitbreiding”, zegt wiskundige Alexander Petersen van de University of California in Merced, die de studie deed met twee Italiaanse collega’s.

Samen publiceren

Maar Robert-Jan Smits, directeur-generaal van de Europese Commissie voor Onderzoek & Innovatie, heeft zijn twijfels. De studie meet samenwerking aan de hand van het aantal internationale publicaties waaraan onderzoekers uit oude en nieuwe lidstaten mee hebben geschreven. „Maar samenwerking is meer dan alleen maar co-publicaties”, zegt Smits. Dat vindt ook Ron Boschma, hoogleraar Innovatiestudies aan de universiteit van Lund. „Er kan ook samenwerking zijn zonder dat er samen wordt gepubliceerd”, zegt hij.

Toch zien ook zij nog andere aanwijzingen voor een vergrote academische ongelijkheid tussen west en oost. Door de uitbreiding werd het voor onderzoekers uit de nieuwe lidstaten veel makkelijker om binnen de EU te migreren, naar beter betaalde banen, meer vooraanstaande instituten. Dat is in groten getale gebeurd.

Die migratiestromen zijn vaker in kaart gebracht. De uitkomsten variëren, afhankelijk van de groep die is bestudeerd (kenniswerkers in brede zin, alleen academici, of specifiek de ontvangers van een bepaalde subsidie voor onderzoek in het buitenland, de Marie Curie-beurs). Maar duidelijk is dat met name Duitsland heeft geprofiteerd van de immigratie van Oost-Europese academici. Nederland ook, maar minder. Groot-Brittannië trok juist onderzoekers uit andere, oude lidstaten aan – dat zou door de Brexit kunnen veranderen.

Andere krachten

Ook onderzoek naar de verdeling van Brussels onderzoeksgeld wijst in de richting van een concentratie in West-Europa. Van de 44 miljard euro aan subsidies in de periode 2007-2013 ging 85 procent naar de oude EU-lidstaten, en slechts 4 procent naar de nieuwe (de rest belandt buiten Europa). De top-500 van universiteiten, instituten en bedrijven die het meeste geld kregen – allemaal in de oude EU-lidstaten – vergrootten hun aandeel vergeleken met de periode daarvoor (2002-2006) van 58 naar 60 procent.

Boschma noemt het een mooi streven om alle landen gelijk te willen trekken. Maar de realiteit is dat er ook andere krachten zijn, die juist voor concentratie zorgen. „Bovendien is juist mobiliteit van academici cruciaal voor nieuwe ideeën en innovatie. Niet zozeer samenwerken op afstand”, zegt hij. Volgens hem moeten critici meer geduld hebben. Hij vergelijkt het met de val van de Berlijnse Muur. Daarna kwam eerst een grote migratie van Oost- naar West-Duitsland op gang. Pas jaren later ontstond er een significante migratie-stroom de andere kant op.

Volgens Petersen moeten de oude lidstaten het interessanter maken voor geïmmigreerde onderzoekers om terug te keren naar hun moederland. Dat zegt ook Boschma. „Als je al honderd excellente onderzoekers weet terug te halen, kan dat een enorm effect hebben.”

Smits benadrukt dat de oude lidstaten meer zullen moeten gaan investeren in onderzoek en ontwikkeling. Onderzoeksbanen moeten beter beloond worden. „Zolang ze daar geen prioriteit aan geven, blijft het zo.”