Cultuur

Interview

Interview

Pieter-Jaap Aalbersberg wil dat zijn politie van iedereen is. „Van de PVV-stemmer in Tuindorp tot aan de illegale Ghanees in Zuidoost.”

Foto Lars van den Brink

Mijn agenten hebben het te druk voor hun werk

Pieter-Jaap Aalbersberg Hoofdcommissaris Amsterdam

Toerisme, radicalen, liquidaties … Voor normaal werk is geen tijd meer.

„En het echte seizoen, de grote drukte, moet nog beginnen”, zegt Pieter-Jaap Aalbersberg. De Amsterdamse hoofdcommissaris zit in zijn werkkamer op het hoofdkantoor aan de Marnixstraat. Hij heeft net opgesomd wat er zoal van zijn politiemensen wordt gevraagd. Het staatsbezoek van de Argentijnse president. Ajax-Feyenoord. „Het aantal evenementen was enorm: 74 in een periode van acht weken. En 4/5 mei moet nog komen, Koningsdag moet nog komen.”

Hij wijst op de lijsttrekkersdebatten voor de verkiezingen. Die moesten allemaal worden beveiligd. Veel daarvan werden in Amsterdam gehouden. Aalbersberg noemt dat „de hoofdstadfactor”: dingen die in Amsterdam gebeuren omdat Amsterdam nu eenmaal de hoofdstad is. Een staatsbezoek, natuurlijk. Maar ook „verwarde mensen”, zegt hij, zoeken de hoofdstad op omdat het de hoofdstad is. Handenvol werk.

Allemaal werk waarvoor gewone agenten worden ingezet. Agenten die dan niet hun ronde kunnen doen in Amsterdam-Noord. Agenten die ’s avonds niet kunnen controleren of fietsers met licht rijden. Agenten die de aangifte van een inbraak moeten wegleggen – soms zelfs terwijl het slachtoffer een vermoeden heeft wie de dader is. „Wij hebben de grens bereikt”, zegt de hoofdcommissaris.

Amsterdam barst uit zijn voegen. In 2016 kwamen er 15.000 inwoners bij. Het aantal toeristen stijgt jaarlijks met zo’n 5 procent, het zijn er nu rond de 17 miljoen. De toegenomen drukte heeft direct invloed op het werk van de politie. Meer mensen op straat, betekent meer zakkenrollers en straatrovers.”

In 2016 werd in het centrum van de stad 30 procent van alle misdrijven (met volwassen verdachte) gepleegd. Een ‘Binnenstadoffensief’ met 140 handhavers van politie en gemeente is er vanaf december in geslaagd het aantal straatroven daar flink omlaag te brengen, en de zakkenrollerij is ietsje gedaald. Maar de extra agenten moesten wel bijeen worden geschraapt uit de andere delen van de stad. En dat, zegt Aalbersberg, is slecht voor het gezag van de politie.

Zijn agenten tekenden signalen van verloedering op, ver voor de stadspolitiek er lucht van kreeg. „Hee, er worden veel meer nepdrugs op straat verkocht. Dat is een eerste indicatie van teruggang, dat je grip kwijtraakt. Een motoragent die op een kruispunt assistentie verleent en links en rechts fietsers door rood ziet rijden. Het stijgend aantal meldingen van overlast: lawaai, drukte, waarvan we lange tijd hebben gezegd dat het bij binnenstad hoort – ik heb dat ook wel gedacht. Maar burgers accepteren overlast steeds minder, daar ligt ook een deel van het probleem. Het loopt van ons weg.”

Met de opsporing van misdrijven verdienen wij vertrouwen, maar geen gezag. Wij verdienen gezag op straat, met handhaving.

Aalbersberg maakt twee gebaren met zijn rechterhand. Eerst steekt hij hem op, als een halt-teken: dat staat voor de waakzaamheid van de politie. Dan steekt hij hem uit, als om te groeten: dat staat voor het contact. „De twee pijlers van ons werk. Met de opsporing van misdrijven verdienen wij vertrouwen, maar geen gezag. Wij verdienen gezag op straat, met handhaving. Gewoon: betalen de mensen in de tram? Hebben ze een lampje op de fiets? Ik zeg weleens: een burger moet licht schrikken van een politieauto. Niet hard, licht schrikken

De afgelopen jaren heeft de Amsterdamse driehoek – burgemeester, politie, OM – ingezet op de bestrijding van de zogenoemde high impact crime, criminaliteit die veel effect heeft op de slachtoffers: roofovervallen, geweld, inbraak. De daling in deze categorie misdaden is spectaculair. „Ik denk dat we daar succesvol zijn”, zegt Aalbersberg. „Je prioriteiten kiezen en bijvoorbeeld op het gebied van handhaving minder inzetten – dat was een welbewuste keuze. Met handhaving gaat het altijd zo: je zet even fors in op een bepaalde kwestie, daarna zakt de inzet terug, naar een onderhoud-niveau. Door de inzet op de high impact crime is het curatief onderhoud van handhaving in de stad echt minder geworden. Dat raakt het gezag van de politie. Zet je heel hard in op waakzaamheid, dan ben je niet dienstbaar genoeg. Het is een precaire balans. Als je gezag kwijt raakt, is de consequentie dat je sneller naar geweld moet grijpen om de openbare orde te bewaren.”

Een Rotterdammer

In het hoofdbureau aan de Marnixstraat zit een Rotterdammer die van Amsterdam is gaan houden en trots is op zijn agenten. „Ze zijn misschien een beetje anarchistisch, maar als het spannend wordt, staan ze er allemaal en doen ze het goede – op hun eigen manier.” Aalbersberg is in Amsterdam komen wonen toen burgemeester Van der Laan hem had gevraagd hoofdcommissaris te worden. „Je wilt de stad voelen.”

Mondigheid is goed voor een wijk

Hij maakt cirkels met zijn handen. Een kleintje: het centrum, daar staan de duurste huizen met de rijkste mensen, veel uit het buitenland. Daaromheen: het Amsterdam langs de Ringweg A10, waar mensen met een stevige baan wonen. En daarbuiten de mensen die het moeilijk hebben. Amsterdam ligt er goed bij, onderstreept Aalbersberg, er is geen armoe zoals in Parijs of Brussel. Maar er verandert wel iets als wijken steeds meer worden bewoond door mensen van een en dezelfde soort. Een advocaat, een huisarts of een architect die zich ergert aan misstanden in de wijk, spreekt het bestuur daar gemakkelijker op aan dan een werkloze. Toen de Nieuwmarkt dreigde te worden gesloopt in de jaren zeventig, stonden er mensen op in de buurt zelf. „Mondigheid is goed voor een wijk”, zegt Aalbersberg. „Dat heeft een directe relatie met veiligheid.”

De hoofdcommissaris roemt „de bijdrage van Jan Schaefer aan de stad”. De toenmalige wethouder heeft ervoor gezorgd dat de wijken vanaf de jaren zeventig gemengd en in balans zijn gebleven. „Gemengd in aandacht vragen, in meedoen. Er is steeds verjonging in de verschillende wijken geweest.”

Aalbersberg heeft zich voorgenomen dat de helft van alle nieuwe agenten die bij zijn korps komen, een migrantenachtergrond heeft. De Amsterdamse politie krijgt „te weinig aangiften van discriminatie” – dat vindt hij ook een signaal dat de afstand tot sommige bevolkingsgroepen groter is dan tot andere. „Als mensen geen aangifte doen omdat ze de politie daar onvoldoende mee vertrouwen, dan is dat ontwrichtend. Dat is brandstof voor tweespalt.”

Onbetaalbare huizen

De vraag, zegt hij, is hoe blijf je politie van iedereen? „Van de PVV-stemmer in Tuindorp tot aan de illegale Ghanees in Zuidoost? Je moet uitkijken dat je straks niet meer de politie van Amsterdam-West bent, maar alleen nog van de Stopera.”

De segregatie is ook een bijeffect van de drukte, van de toegenomen belangstelling voor Amsterdam. De huizen in bepaalde delen van de stad zijn onbetaalbaar voor veel Amsterdammers geworden. Dat brengt hem op drugscriminaliteit. Een sector van de misdaad waar de politie te weinig aan toekomt, vindt Aalbersberg. „Amsterdam heeft altijd een grote onderstroom in de drugs gehad. Je ziet nu xtc en cocaïne bijna normaliseren in de stad. Met de handel en het transport worden forse winsten geboekt, en vastgoed is vanouds een geliefde belegging.”

In de jaren negentig verscheen een geruchtmakend rapport, waaruit bleek dat de Amsterdamse Wallen voor een groot deel in handen waren van criminelen. Daar heeft de gemeente hard tegen opgetreden. Criminelen werden uitgekocht, prostitutiepanden werden gesloten.

De georganiseerde misdaad is gedemocratiseerd

Maar, zegt Aalbersberg nu, „ondermijning zal altijd blijven – ze moeten ergens met hun geld heen. Vroeger zag je meer piramidevormige organisaties. Als je nu ziet wie er achter de liquidaties zitten: ze springen van de ene organisatie naar de andere. Criminele bendes zijn netwerken geworden. Soms langs etnische lijnen georganiseerd; we zien veel activiteiten van Albanese bendes. Maar er is geen maffia-achtige loyaliteit meer. Eigenlijk is de georganiseerde misdaad gedemocratiseerd. De ondermijning van nu komt niet van enkele grote organisaties die op een paar grote plekken hun geld beleggen, het is meer divers en meer verspreid. Je ziet het aan de ‘kleuren’ van winkels. Ineens duiken heel veel winkels in dezelfde branche op. Belwinkels. Kunnen die de hoge huren echt opbrengen met hun omzet? En dan hebben we het niet alleen meer over de Wallen, maar over de hele stad. De De Clercqstraat in West, de Javastraat in Oost, de Van Woustraat in Zuid.”

Door de overbelasting van zijn personeel kan de politie op sommige gebieden niet de volle aandacht richten. „Milieucriminaliteit bijvoorbeeld”, zegt Aalbersberg. De doorgaans aan drugshandel gerelateerde liquidaties slorpen ruwweg de helft van zijn recherchecapaciteit op. Een kwart gaat nog eens naar het voorkomen van terrorisme. „Wij starten elke week 80 onderzoeken naar signalen van radicalisering of de verdenking van terroristische activiteiten. Ik ben blij met zoveel signalen, ik ben blij dat het meestal loos alarm is. Maar het kost enorm veel mankracht.”

Enkele weken geleden maakte Aalbersberg al bekend dat zijn korps 500 agenten extra nodig heeft. Hij maakte er een rekensommetje bij: Amsterdam heeft niet alleen haar 845.000 inwoners, er komen ook nog elke dag honderdduizenden bezoekers, studenten en forenzen. Dagelijks zijn er 1,3 à 1,5 miljoen mensen in de stad.

Hoge parkeerkosten

Is er sympathie voor zijn verzoek bij andere korpsen en gemeenten? Dat, zegt Aalbersberg, is „kwetsbaar”. Hij geeft een praktisch voorbeeld. „Wij hebben een parkeerprobleem in de stad en dat geldt ook voor mijn medewerkers. De meeste van hen kunnen niet in de stad wonen omdat de huizen te duur zijn. Ze hebben diensten die ze langer aan het werk houden dan het openbaar vervoer rijdt. Elders wonen agenten dicht bij hun werk. Daarom vergoeden wij hun parkeerkosten. Vanuit andere korpsen hoor je dan terug: waarom moet Amsterdam 400.000 euro meer uitgeven aan parkeren?”

Dat is het gevaar van de nationale politie en de harmonisatie die daarbij hoort. „Op zich goed, die harmonisatie”, zegt Aalbersberg. „Maar als harmoniseren een doel wordt, dan wordt het grijze gemiddelde de norm. Voor een stad als Amsterdam is het grijze gemiddelde de doodsteek. Wij hebben met een aparte problematiek te maken.”

Als ze er komen – Aalbersberg heeft nog geen antwoord van de top van de nationale politie – gaan die 500 nieuwe agenten dan allemaal weer worden ingezet voor de paraatheid van de stad? Niet als het aan de hoofdcommissaris ligt. Het gaat nu om investeren in wijkagenten en recherche. En liefst zou hij hebben dat, vanuit de gemeente, naast iedere wijkagent een jeugdwerker wordt geplaatst en een specialist geestelijke gezondheidszorg: als één overheid in de frontlinie die de wijk kent. Aalbersberg probeert de stap te maken van samenwerking met andere handhavers naar echte integratie. „Dat is mijn droom. Elk plan begint met een droom.”