De lente is het ideale seizoen voor een bloesemtocht

Voor het allemaal fruit wordt kun je in de Betuwe langs de prachtige bloesemzeeën wandelen. Elk jaar. En wel nú.

Precies om één minuut voor elf stopt de sprinter op station Geldermalsen. Ik stap uit en de trein rijdt verder, naar eindbestemming Tiel. Die naam doet me hier, in hartje Betuwe, denken aan rode bessen en een witte koksmuts, het tenue van Tiels Flipje. Decennialang sierde hij de potten van jamfabriek De Betuwe.

Na ruim een eeuw sloot de fabriek in 1993 de deuren, maar Flipje bleef voortbestaan als mascotte van Tiel en eigenlijk van de hele streek. De Betuwe en fruit zijn tenslotte onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ingeklemd tussen Rijn en Waal liggen, rond historische plaatsen als Buren, Culemborg en Geldermalsen, uitgestrekte boomgaarden. Over een paar maanden hangen de bomen vol pruimen en kersen, en in krap een half jaar zullen de takken zwaar zijn van de appels en peren. Maar nu staat de Betuwe in bloei. Bloesemtijd. En dus ook wandeltijd: rond de rivier de Linge kun je haast met ogen dicht van fruitboom naar fruitboom lopen. Gewoon je neus achterna, de zoete lentelucht opsnuiven.

Volg de NRC seizoenswandeling, met audiotour: Bloesemtocht

Kort na het dorpje Tricht zie ik de eerste bloesemzee. Links van de Lingedijk staan commerciële laagstambomen. Tweedimensionale boompjes lijken het, de takken strak in het gelid, zodat de teler er in de nazomer eenvoudig langs kan om te plukken. Niet te hoog ook bovendien: een ladder is overbodig. Des te opvallender zijn de bemoste hoogstambomen rechts van de dijk. Eveneens voorzien van witte bloesem, maar ook van dikke, kronkelige takken die alle kanten uitsteken. „Deze hier is al ruim 75 jaar oud”, zegt een man met een muts op en een hark in zijn hand. Hij blijkt een hobbykweker: fruit telen doet hij pas sinds zijn pensioen. Of ik pruimen van kersen kan onderscheiden, vraagt hij. En appels van peren. Even voel ik me weer 9 jaar, de leeftijd waarop ik pruimen alleen uit glazen potjes kende, met het Flipje-logo erop. Van de groenteboer kreeg ik een pruim cadeau en in de veronderstelling dat het een overmaatse druif was beet ik bijna mijn voortanden stuk op de pit.

„De vruchten?” vraag ik aarzelend. Hij lacht: „De bloesem.”

De bloeivolgorde blijkt een belangrijke aanwijzing: pruim bloeit als eerste, daarna volgen respectievelijk kers, peer en appel. „Bij kersenbloesem zijn de steeltjes langer dan bij pruimen. En bij pruimen en kersen is de bloesem helderwit, in plaats van crèmewit, zoals bij peren. Appelbloesem is roziger.”

Hij neemt me mee de laagstamboomgaard in en wijst op de stammen van een rij perenbomen. „Zie je die inkepingen? Dat is expres gedaan. Boompje pesten, ja, maar met een reden: daardoor krijgen ze meer vruchten.”

Twee fietsers stappen af. Of ze wat bloesemtakken mee mogen, om thuis in een vaas te zetten? De kweker schudt zijn hoofd. „Met elke tak geef ik minstens tien pruimen weg. Dat zijn dure cadeautjes.”

Aan weerszijden huppelen lammetjes, in de lucht zweeft een buizerd

Ik wandel verder langs de dijk, tussen de boomgaarden door. Soms verraadt de ondergrond welke fruitbomen er staan: aan de voet van een bemoste hoogstamboom liggen allemaal rotte peren. Kort daarna passeer ik het elektrische gemaal De Neust, dat in 1926 werd gebouwd in Amsterdamse School-stijl, als vervanging van een stoomgemaal. Vervolgens voert de route over het erf van een bed & breakfast, langs een ooievaarsnest, tussen de akkers door. Dan volgt de Appeldijk: omzoomd door koolzaad en hoogstambomen. Aan weerszijden huppelen lammetjes, in de lucht zweeft een buizerd.

Op Heerlijkheid Mariënwaerdt maken de fruitbomen plaats voor monumentale loofbomen: beuken, eiken, paardenkastanjes. Tussen de frisgroene bladeren is nog net een stukje blauwe lucht te zien. De naam ‘heerlijkheid’ stamt uit de Middeleeuwen, net als sommige van de bomen, en het landhuis zelf – dat was destijds een klooster. De heer van een heerlijkheid beschikte over bepaalde rechten in het desbetreffende gebied: zo was er ‘recht van duivenvlucht’, waardoor hij een til mocht houden, of het ‘veerrecht’: dat bepaalde dat hij als enige mensen en goederen de rivier over mocht varen. Tegen betaling, uiteraard.

Ook nu nog vaart in de lente en de zomer een pontje van het landgoed naar het dorp Enspijk. Hier aan de zuidkant van de Linge ligt molen De Vlinder: een in 1913 gebouwde korenmolen. Wie wil, kan een kijkje nemen: als de vlag uithangt of als de molen draait is er een molenaar aanwezig. Bovenin heb je een mooi uitzicht over de Linge, de boomgaarden en de knotwilgen langs de oever.

Het laatste deel van de route loop ik door Deil. Hier is de bloesem minder talrijk dan op de noordoever, maar tussen de huizen staan prachtige hoogstambomen.

De wandeling eindigt waar ook de bloesem uiteindelijk zal eindigen, als de bloemen eenmaal zijn bestoven en tot pruimen, kersen, peren en appels zijn uitgegroeid: bij de veilinghallen.