Column

Ik ben Rilke niet

De afgelopen weken was mijn leven gereduceerd tot een takenlijst ter lengte van een rol wc-papier, vol schnabbels zoals gelegenheidsteksten, kleine presentatieopdrachten, kleuters een gedichtje leren schrijven, dat soort shit. De klussen klonterden samen tot een klomp kwik ter grootte van de Hagia Sophia, waardoor ik af en toe zo duizelig was alsof ik een klap had gekregen (ik zag dan geen sterretjes maar overvolle agenda’s). Gistermiddag had ik opeens als vrije tijd, maar was ik in plaats van opgelucht, overrompeld. Ik zou eindelijk even kunnen stilstaan, kijken naar wat ik met mijn leven wilde doen. Het erge was echter dat ik helemaal geen zin had in reflectie, juist omdat ik me dan zou moeten realiseren dat ik de afgelopen maanden vooral bezig ben geweest met de korte termijn en dat ik het verwezenlijken van wat ik écht wil (de beste docent aller tijden worden, een nieuwe gedichtenbundel schrijven, een eigen huis) daarvoor naar de lange baan had geschoven.

In plaats van bezig te gaan met deze toekomstplannen belde ik lievelingsvriend Toine en stond ik even later achter het fornuis om een zevengangenmaaltijd te koken. Terwijl ik een roux maakte met truffelextract dacht ik na over waarom ik nooit rust neem. Zenmeester Yoko Charlotte Beck zei eens dat meditatie een oefening is in de dood. Misschien houden de meeste mensen daarom niet van het ‘nu’, omdat we ooit in datzelfde ‘nu’ zullen sterven.

„Zéven gangen?!”, zei Toine die avond. Oké, acht, inclusief amuse. Gegeneerd haalde ik mijn schouders op.

‘Baby,” zei hij, „waar ben je mee bezig? Waar blijft die nieuwe bundel? Heb je je nieuwe lessenreeks waar je in 2018 de scholen mee langs wilt gaan, al opgezet?”

Ik liep de keuken in om extra wasabimayonaise te halen, maar Toine kwam me achterna.

„Serieus! Wat wil je nou?”, riep hij.

Ik rommelde wat in een keukenkastje maar Toine sloeg het deurtje dicht.

„Ik meen het!”, zei hij, „Je bent al over de helft van je leven! Je wilt toch niet in december terugkijken en concluderen dat je weer een jaar aan bijzaken hebt vergooid?”

„Heb je ooit dat gedicht van Rilke gelezen”, probeerde ik, „waarin hij een stenen torso van een Apollobeeld bekijkt en zich opeens zélf bespied voelt en weet dat het moment is aangebroken om zijn leven radicaal om te gooien?”

„Je bent Rilke niet!” gilde Toine. Stil leunde ik tegen het aanrecht. Ik ben Rilke niet.

Waar wil ik zijn, dacht ik. De stilte zoog mijn trommelvliezen vacuüm. Ik wil hier niet zijn, dacht ik. Ik moet in beweging komen, anders ga ik dood.

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.