Expositie voor de export

Kunstmarkt Veel musea kopen tentoonstellingen in. Maar hoe lucratief is dat?

De foto Arena New York Times, Miami 1978 van Helmut Newton was vorig jaar te zien op zijn retrospectief in FOAM foto Helmut Newton Estate/ Maconochie Photography

Een recordaantal bezoekers trekken – ruim 650.000 – en daar als museum financieel niets wijzer van worden. Het overkwam Centre Pompidou in 2015 met de overzichtstentoonstelling van de Amerikaanse kunstenaar Jeff Koons. Dat saillante gegeven kwam afgelopen maand naar voren bij een rechtszaak in Parijs. Het staatsmuseum hield aan de kaartverkoop van de show 2,6 miljoen euro over. Maar daar stonden net zoveel kosten tegenover, onder meer een leenvergoeding van 1,25 miljoen euro aan het Whitney Museum in New York, de organisator van de tentoonstelling.

Is het inkopen van reizende tentoonstellingen altijd zo kostbaar? En hoe lucratief is het om zelf gemaakte exposities op tournee te laten gaan? Drie Nederlandse museumdirecteuren aan het woord.

Slechts quitte gedraaid

Over Koons en Pompidou lopen de meningen uiteen. Groninger Museum-directeur Andreas Blühm is verbaasd dat het Parijse museum met zoveel bezoekers slechts quitte heeft gedraaid. „Een hele prestatie”, zegt hij op ironische toon.

Ook voor fotografiemuseum FOAM in Amsterdam zijn ingekochte blockbusters tot op heden altijd winstmakers geweest, zegt directeur Marloes Krijnen. „Dat zijn de shows waarmee we kleinere tentoonstellingen van jong talent bekostigen.”

Daartegenover staat de reactie van Emily Ansenk, directeur van de Kunsthal Rotterdam. Deze cijfers tonen de harde werkelijkheid, zegt ze. „De kosten van megatentoonstellingen als die van Koons zijn gigantisch. Vermoedelijk is het Whitney hier ook niet vet van geworden.”

De Kunsthal krijgt wekelijks exposities aangeboden. Gemiddeld één keer per jaar neemt Ansenk een kant-en-klare tentoonstelling over. De overige twintig exposities organiseert de Kunsthal zelf. Vaak gebeurt dat overigens in samenwerking met drie of vier andere instellingen. Ansenk: „Dan trek je vanaf het begin samen op. Zonder partners om de kosten te delen, lukt het bijna niet om grote tentoonstellingen te organiseren.”

Het Groninger Museum en FOAM gaan op een vergelijkbare wijze te werk. Zo nam Blühm vorig jaar alleen de David Bowie-tentoonstelling over. Dit jaar is de grote Rodin-expositie in Groningen de enige ‘aankoop’.

Lees ook de recensie van de expositie Rodin – Genius at Work.

FOAM nam vorig jaar alleen de grote Helmut Newton-tentoonstelling over. Eerdere blockbusters over de Amerikaanse fotografen Diane Arbus en Richard Avedon ontstonden uit samenwerkingen met het Jeu de Paume in Parijs en Martin-Gropius-Bau in Berlijn.

Een winstgevende begroting is bij zulke grote namen goed te doen, zegt Krijnen. Bezoekers betalen zonder morren een toeslag en ook lukt het vaak om een sponsor te vinden.

Romantiek uit het Noorden

Het Groninger Museum presenteert komende winter een ambitieuze tentoonstelling waar het vier jaar geleden aan is begonnen: De Romantiek uit het Noorden, het eerste overzicht van negentiende-eeuwse landschapschilderkunst in Noord-Europa. Het gaat om negentig schilderijen, waarvan er slechts twee uit de eigen collectie komen. Aanvankelijk zou het een co-productie worden met de National Gallery in Londen. Maar na een directiewisseling haakte het Britse museum af, en moest het Groninger Museum de expositie zelfstandig zien te realiseren. „Het wordt een hit”, zegt Blühm. Maar mochten zich alsnog musea melden die de expositie willen overnemen, dan wordt het gezien de vele bruiklenen lastig om zo’n verzoek te realiseren.

Fototentoonstellingen, met de mogelijkheid om kopieën te tonen, en tentoonstellingen grotendeels uit eigen bezit zijn veel eenvoudiger te exporteren, zegt Blühm. Drie tentoonstellingen van het Groninger Museum toeren momenteel rond. Iris van Herpen: Transforming Fashion reist langs zes Amerikaanse musea. De tentoonstelling over designer Joris Laarman maakt een wereldtournee en De Collectie Veendorp (een particuliere collectie schilderkunst) is in vier Duitse musea te zien. Maar de leenvergoedingen voor die exposities stellen niet veel voor, zegt Blühm. Uit de acht jaar dat hij voor het Van Gogh Museum werkte, weet hij dat musea die schilderijen van kanonnen als Van Gogh, Vermeer en Rembrandt bezitten, hun collectie echt te gelde kunnen maken. „Dan heb je het echt over een andere dimensie. Voor ons is het vaak een verbreding van onze reputatie.”

Wel belooft Blühm zijn conservatoren altijd, dat het geld dat met export van tentoonstellingen wordt verdiend, geïnvesteerd mag worden in aankopen.

Vroeg aankopen

Foam bestaat pas vijftien jaar en heeft vijfhonderd foto’s verzameld. Nog te weinig om zelfstandig solotentoonstellingen te kunnen maken, zegt directeur Krijnen. „Maar daar werken we wel aan. Bijvoorbeeld door een kunstenaar als Awoiska van der Molen vroeg aan te kopen en te blijven volgen.” Zodra Foam daarmee drie zalen kan vullen, moet het lukken, zegt Krijnen.

De Kunsthal Rotterdam heeft vorig jaar voor het eerst een grote tentoonstelling georganiseerd met de intentie die aan andere instellingen te verkopen. Dat deed ze met een overzicht van de Duitse modefotograaf Peter Lindbergh. Architectenbureau Mecanoo maakte het tentoonstellingsontwerp en bij uitgeverij Taschen verscheen een grote catalogus. De tentoonstelling reist binnenkort naar München en later dit jaar naar Turijn. Maar de kosten („Meer dan 500.000 euro”) zijn pas terugverdiend als de tentoonstelling op nog twee locaties is te zien.

Emily Ansenk wil vaker tentoonstellingen voor de export maken. Goed voor de reputatie van de Kunsthal, zegt ze. „We zijn een instelling zonder collectie. Als ik een museum om bruiklenen vroeg, kon ik ze nooit iets in ruil aanbieden. Nu heb ik wisselgeld.”

Lachend zegt ze ten slotte: „We gaan dit vaker doen. Nee, we móéten dit wel vaker doen.”