Turkse minister wil naar rechter om uitzetting Nederland

Minister Kaya heeft volgens haar advocaat nog altijd geen onderbouwing ontvangen van het besluit haar tot ongewenste vreemdeling te verklaren.

De Turkse minister Kaya bij haar bezoek aan Rotterdam, vorige maand. Foto Sedat Suna/EPA

De Turkse minister voor Gezinszaken Fatma Betül Sayan Kaya wil naar naar de rechter stappen vanwege haar uitzetting enkele weken terug. De bewindspersoon kwam zaterdag 11 maart naar het Turkse consulaat in Rotterdam, ondanks een verzoek van het Nederlandse kabinet dat niet te doen. Daarop werd ze tot ongewenste vreemdeling verklaard en onder politiebegeleiding naar de grens met Duitsland gereden. Kaya heeft daarvan echter nog altijd geen schriftelijke onderbouwing ontvangen, stelt haar advocaat Ejder Köse na berichtgeving in het Algemeen Dagblad. Die is nodig om juridische vervolgstappen te ondernemen.

Wie tot ongewenst vreemdeling wordt verklaard en het daarmee oneens is, moet volgens de vreemdelingenwet binnen vier weken bezwaar maken, zegt Köse telefonisch tegen NRC. Aangezien Kaya het schriftelijke besluit nog niet heeft ontvangen, heeft de raadsman pro-actief twee bezwaarschriften ingediend. “Eén tegen dat besluit, een ander tegen een mogelijk inreisverbod dat haar wordt opgelegd. Wij doen dat nu alvast om te voorkomen dat we voor een voldongen feit zouden komen te staan en er geen bezwaar meer gemaakt kan worden.”

Met indiening van de twee bezwaarschriften wil Kaya de Nederlandse staat dwingen het onderliggende besluit kenbaar te maken. “Dan moet de minister met de billen bloot. Mogelijk is er helemaal geen besluit genomen om mijn cliënte tot ongewenste vreemdeling te verklaren.” Het besluit zal bovendien gebruikt worden in een juridisch geding tegen Nederland, dat er volgens Köse sowieso zal komen:

“Premier Rutte schreef maandag in een Kamerbrief dat zij vrijwillig is vertrokken, maar wie de gang van zaken heeft gevolgd, weet dat dat niet zo was. Zij zal sowieso juridische stappen nemen, maar tegen welk besluit is nog de vraag. Ook als er geen besluit ligt om haar tot ongewenst vreemdeling te verklaren, zullen wij actie ondernemen.”

“Geen officieel staatsbezoek”

Volgens het kabinet mocht haar de toegang tot het land geweigerd worden omdat ze volgens het internationale recht geen speciale status had. Zo schrijft premier Rutte in de door Köse aangehaalde Kamerbrief dat het internationaal recht alleen een speciale status toekent aan staatshoofden, regeringsleiders en ministers van Buitenlandse Zaken, in Nederland geaccrediteerd of aangemeld diplomatiek en consulair personeel en buitenlandse functionarissen die op officiële missie zijn. “Minister Kaya viel binnen geen van deze categorieën.”

Diplomatieke rel

De diplomatieke rel die ontstond tussen Nederland en Turkije begon eerder op 11 maart met het intrekken van de landingsrechten van het toestel van de Turkse minister van Buitenlandse Zaken Çavuşoğlu. Die wilde die dag Nederlandse Turken toespreken over een referendum waarin zij zich mogen uitspreken over de vraag of de machtsbasis van president Erdogan moet worden uitgebreid. Het kabinet stelde echter dat het bezoeken met een dergelijk doel “ongewenst acht”.

Daarop besloot de al in Duitsland aanwezige minister voor Gezinszaken met de auto naar Nederland te komen. Voordat zij echter het Turkse consulaat in Rotterdam kon betreden, werd ze tegengehouden door de politie. Na een urenlange patstelling, besloot ze alsnog terug te keren naar Duitsland.

Gedurende de avond braken er rellen uit in Rotterdam, nadat zich bij het consulaat een groep van zo’n 500 demonstranten had gevormd. Enkele van hen begonnen met stoeptegels te gooien naar de politie. De ME voerde daarop charges uit. Enkele mensen raakten gewond.

Kabinet: stonden in ons recht

Het kabinet stelt dat het in haar recht stond omdat de Turkse opstelling “een andere handelswijze onmogelijk maakte”. NRC-redacteur Folkert Jensma schreef eerder al dat waarschijnlijk juist is:

“Alles bijeen genomen leek de Turkse minister dus een visumplichtige Turkse staatsburger, op politieke missie op Nederlands grondgebied. Dus ook gehouden om zich aan de aanwijzingen van de Nederlandse gezag te houden. Zo bezien handelde Nederland binnen de regels van het diplomatieke verkeer.”