Inspectie: grote kwaliteitsverschillen tussen scholen

Scholen met dezelfde populatie verschillen enorm in kwaliteit, zowel in het basis- als in het voorgezet onderwijs. Het maakt dus veel uit naar welke school een kind gaat. Dat concludeert de Inspectie van het Onderwijs in haar jaarlijkse Staat van het Onderwijs.

Foto Jerry Lampen/ANP

Het is voor het eerst dat het kwaliteitsverschil van scholen zo diepgaand is onderzocht.

Leerlingen die even slim zijn scoren op de ene basisschool maar liefst één of soms twee niveaus lager op de eindtoets dan op een andere basisschool. Op de ene middelbare school hebben leerlingen 25 procent minder kans op een diploma dan op de andere middelbare school. Het verschil in kwaliteit speelt in alle sectoren, zo staat in het inspectieverslag. „En bij alle schooltypen, van een gymnasium in de stad tot een basisschool op het platteland.”

De inspectie heeft scholen met eenzelfde populatie vergeleken. En overal zijn er verschillen. Op basisscholen met kinderen van overwegend hoogopgeleide ouders scoren leerlingen op de ene school minder dan 530 punten (vmbo-gl of lager) op de eindtoets in groep acht en op de andere school meer dan 540 punten (havo/vwo). Op basisscholen met overwegend kinderen van laagopgeleide ouders lopen de punten uiteen van minder dan 525 (vmbo kader of lager) tot boven de 535 (vmbo-t of hoger). Bij scholen met een gemiddeld aantal kinderen van laagopgeleide ouders verschillen de scores met ook tien punten – één schoolniveau-advies. Over de hele linie zijn er scholen die nóg grotere verschillen laten zien en uitkomen op een verschil van twee schoolniveaus.

De oorzaak van het verschil in kwaliteit is onbekend. In het verslag staat dat scholen die het goed doen een duidelijke visie en ambitie hebben, dat de teams hecht zijn en dat besturen investeren in de professionalisering van de leerkracht. Dus dat moeten minder presterende scholen beter doen.

Voortgezet onderwijs

De onderwijsinspectie signaleert ook in het voortgezet onderwijs grote verschillen. „Met een vergelijkbare leerlingpopulatie slaagt op de ene school 75 procent van de leerlingen voor het examen en op de andere school 100 procent.” De inspectie berekende dat van de landen die meedoen aan het driejaarlijkse Pisa-onderzoek (onder 15-jarigen afkomstig van economisch ontwikkelde landen) Nederland bovenaan staat als het gaat om de verschillen in kwaliteit van de middelbare scholen.

Op de internationale ranglijsten behoren de Nederlandse leerlingen nog steeds tot de subtop. Er zijn relatief weinig zwakke leerlingen maar tegelijkertijd neemt het aantal hoogpresterende leerlingen af. En dat is opvallend, het was een van de belangrijkste speerpunten van staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) om toptalenten op de kaart te zetten. Hij presenteerde drie jaar geleden een plan met ruim 20 maatregelen om leerlingen van alle niveaus meer te laten uitblinken.

Vorig jaar constateerde de inspectie in de Staat van het Onderwijs dat kinderen van laagopgeleide ouders minder kansen krijgen dan kinderen van hoogopgeleide ouders. De eerste groep ontving van de leerkracht in groep acht eerder een lager schooladvies.

De inspectie ziet nog weinig verschil als het gaat om kansenongelijkheid. Wel staat er in het verslag dat meer scholen het schooladvies bijstellen als een leerling hoger scoort op de eindtoets. Maar dit gebeurt vaker bij meisjes dan bij jongens. En het gebeurt vaker bij kinderen van hoogopgeleide ouders dan bij kinderen van laagopgeleide ouders. De kloof blijft dus bestaan. Bovendien ziet de inspectie dat veel meer mbo-afgestudeerden met een niet-westerse migratie-achtergrond werkloos zijn. Anderhalf jaar na het afstuderen, heeft bijna 20 procent van hen geen baan. Terwijl maar 8 procent van de autochtone mbo’ers werkloos is.

Minister Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA) en staatssecretaris Dekker maken zich „grote zorgen” over de verschillen tussen scholen. Ze noemen het „ongewenst dat niet al het aanwezige talent tot bloei komt”. De bewindslieden rekenen het de schoolbesturen aan. Die moeten nader onderzoek doen en „eventuele passende maatregelen nemen. Het kan daarbij gaan om lastige keuzes over personeel of financiën.”

De PO-Raad (de vereniging van basisschoolbesturen) is ook „erg bezorgd”, maar kijkt er niet van op. Het primair onderwijs staat al jaren ernstig onder druk, laat de vereniging weten. Volgens voorzitter Rinda den Besten hebben scholen de afgelopen jaren moeten bezuinigingen. Broodnodige investeringen voor beter onderwijs zijn niet vaak niet gedaan en het beroep van leerkracht is zwaarder geworden. „Het nieuwe kabinet moet investeren. Het is nu of nooit, want het onderwijs wordt niet vanzelf beter.”