IMF: werknemer verliest het wereldwijd van het kapitaal

Ongelijkheid

Wereldwijd daalt het aandeel van werknemers in het nationaal inkomen. Er is een verband met de stijging van inkomensongelijkheid.

Werknemers dragen steeds minder bij aan het nationaal inkomen. Ook in Nederland. Foto Bettmann Archive

Het aandeel van werknemers in het nationaal inkomen daalt wereldwijd. Bezitters van kapitaal, zoals beleggers krijgen juist een groter deel van het nationaal inkomen. Ook in opkomende markten doet dit fenomeen zich voor.

Dit schrijft het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in zijn halfjaarlijkse World Economic Outlook, waarvan twee hoofdstukken zijn vrijgegeven. De belangrijkste economische prognoses worden pas volgende week dinsdag gepubliceerd voorafgaand aan de voorjaarsvergadering van het IMF en de Wereldbank in Washington.

Werknemer blijft achter

In de gevestigde industrielanden daalt het aandeel van arbeidsinkomen in het nationaal inkomen al sinds halverwege de jaren zeventig, van gemiddeld 55 procent naar recent onder de 51 procent. In Nederland is deze ‘arbeidsinkomensquote’ overigens veel hoger, maar vertoont eveneens een dalende trend.

Volgens het IMF impliceert de dalende arbeidsinkomensquote dat de loonstijging van werknemers hun productiviteitsstijging niet bijhoudt. Mocht die productiviteitsstijging heel snel gaan, en gepaard gaan met iets minder snel stijgende inkomens, dan hoeft dat geen probleem te zijn. Het zou dan gaan om een bijverschijnsel bij een op zichzelf gunstige ontwikkeling. Het IMF ziet echter dat in sommige gevestigde economieën de productiviteit ondermaats groeit, en de lonen zelfs dat niet bijhouden.

Het dalende aandeel van arbeid in het nationaal inkomen gaat bovendien gepaard met groeiende inkomensongelijkheid. Het IMF ziet een ‘sterk’ verband tussen deze twee factoren. Reden voor de tegelijk oplopende inkomensongelijkheid en het dalende arbeidsaandeel is volgens de onderzoekers dat laagopgeleide werknemers het zwaarst worden getroffen door economische en technologische veranderingen, en zelfs middelbaar opgeleiden daar last van hebben gekregen. Tegelijkertijd is het aandeel in kapitaal, het spiegelbeeld van arbeid in het nationaal inkomen, geconcentreerd bij de hogere inkomensgroepen.

Een van de verklaringen voor het dalende aandeel van arbeid in het nationaal inkomen betreft volgens het IMF de snelle technologische verandering en de globalisering van handel en kapitaal. Hoewel dat op mondiale schaal een gunstige ontwikkeling is, heeft dat in de volwassen industrielanden gezorgd voor een ‘persistent’ verlies van banen voor middelbaar opgeleiden.

Kapitaal boert goed

Aan de andere kant is de prijs van veel kapitaalgoederen juist gedaald, waardoor ondernemingen een prikkel kregen steeds meer arbeid te vervangen door machines. Daarnaast heeft het afbreken van handelsbarrières en het goedkoper worden van communicatie geleid tot het herplaatsen van productie in landen met goedkopere arbeid. Alleen al deze dreiging heeft volgens het IMF bijgedragen aan een slechtere onderhandelingspositie van werknemers, die is versterkt door een afname van het lidmaatschap van vakbonden.

De bevindingen van het IMF sluiten aan bij die van de Franse econoom Thomas Piketty. Die voorspelde twee jaar geleden dat de inkomensongelijkheid deze eeuw zal toenemen, omdat het rendement op kapitaal structureel hoger is dan dat op arbeid. Deze hogere winst op het vermogen slaat vervolgens neer in een hoger inkomen uit dat vermogen, dat de ongelijkheid op zijn beurt weer vergroot.

Opvallend is dat de arbeidsinkomensquote ook in opkomende markten terugvalt. Het IMF vindt dat minder een probleem, omdat de algemene welvaart, op basis van een hogere productiviteitsstijging dan in het Westen, daar hoe dan ook stijgt.

Het IMF is zich bewust van meetproblemen, met name bij het verwerken van het inkomen van zelfstandigen. Zowel De Nederlandsche Bank als het Centraal Planbureau berekenden al een alternatieve arbeidsinkomensquote waarbij zelfstandigen beter worden gerepresenteerd, en die als gevolg procentpunten lager uitvalt.

Nieuwe inzichten

Ook voor de inkomensongelijkheid zijn er nieuwe inzichten. Op basis van nieuwe berekeningen door het Centraal Bureau voor de Statistiek, waar onder meer loon en inkomen van zelfstandigen beter zijn ondergebracht, kwamen de hoogleraren Wiemer Salverda en Bas van Bavel tot de conclusie dat de inkomensongelijkheid in Nederland groter is dan gedacht. De Gini-coëfficent, die inkomensongelijkheid weergeeft van 0 (volledige gelijkheid) tot 1 (volledige ongelijkheid) bedroeg voor Nederland in 2014 0,286. Volgens de nieuwe methode van Salverda en Van Bavel wordt dat 0,304. En ook de vermogensongelijkheid valt hoger uit dan eerder werd aangenomen.