Damien Hirsts schitterende scheepswrak

Beeldende kunst

De omstreden tentoonstellingen van Damien Hirst in Venetië roepen een fantastische schijnwereld op. Is het kitsch of toch een teken van de tijd?

Detail van het kunstwerk 'Hydra and Kali' van Damien Hirst. Foto Miguel Medina/AFP

Damien Hirst toont in Venetië een van de mooiste tentoonstellingen die je je kunt voorstellen. Een beeldenpandemonium is het, vol fantasie en kleur en technische virtuositeit en ambitie – en die schoonheid blijkt een ongelofelijke hoeveelheid agressie op te roepen. Zo vond de Engelse krant The Telegraph de tentoonstelling een „spectacular failure” waarmee Hirsts carrière ongetwijfeld schipbreuk zou leiden. („Ugh”). The Times vond dat de hele expositie maar in zee moest worden gedonderd. En ook op Facebook regende het boosheid: „Je reinste kitsch. Boerenbedrog. Volksverlakkerij.” „Kan het nog erger worden?” De term ‘populisme’ viel, niet één keer, maar vaak, en dat is binnen het huidige politieke klimaat het ergste verwijt dat een kunstenaar kan treffen.

Wat heeft Hirst gedaan?

Eerst maar even wat feiten. De tentoonstelling Treasures from the Wreck of the Unbelievable toont in twee Venetiaanse musea, Punta della Dogana en Palazzo Grassi, 189 nieuwe beelden en tekeningen die Damien Hirst en zijn studio de afgelopen tien jaar hebben gemaakt. Die werken worden verbonden door een verhaal. Meteen bij de ingang van de expositie staat te lezen dat in 2008, in de Indische Oceaan voor de kust van de oude handelsstad Azania, het wrak werd gevonden van een schip, de Apistos, dat ergens in de eerste eeuw was vergaan. Het schip vervoerde de schatten van Cif Amotan II, een rijke vrijgemaakte slaaf die van over de hele wereld kunstvoorwerpen en objecten (‘commissions, copies, fakes, purchases and plunder’, aldus de tekst) had verzameld om die in een apart daarvoor gebouwde tempel te exposeren. Maar het schip zonk en de objecten verdwenen voor tweeduizend jaar op de zeebodem.

Nu is de lading met veel moeite naar boven gehaald en worden de werken voor het eerst getoond. Alleen niet in hun oorspronkelijke staat: de vele eeuwen op de zeebodem hebben hun sporen achtergelaten, de vazen en de zwaarden zijn zwaar verweerd en de (veelal klassieke) beelden overwoekerd met hardnekkig, veelkleurig koraal. Inderdaad: dit is een tentoonstelling als een tijdcapsule, een sprookje, een grote, ambitieuze moderne mythe.

Om misverstanden te voorkomen: het Apistos-verhaal is natuurlijk kolder. Maar toch heeft Hirst zich veel moeite getroost om het geloofwaardig te maken. Het opmerkelijkste, in dit opzicht, zijn de vele films en foto’s (in lichtbakken) die laten zien hoe een groot aantal van de werken in de tentoonstelling daadwerkelijk vanaf de zeebodem omhoog worden getakeld – ze hebben daar dus ooit, even echt gelegen.

Inhoudelijk is dat onzin, want, om misverstanden te voorkomen, het ‘koraal’ op de beelden is beschilderd brons. Maar dat betekent dus dat Hirst bereid is geweest om louter voor een conceptueel meta-idee tientallen bronzen beelden op de zeebodem af te zinken en ze vervolgens (meteen?) weer omhoog te takelen. Of neem de teksten bij de afzonderlijke werken: daarin trekt Hirst een enorm blik van mythische en historische figuren open die op allerlei manieren met de beelden te maken hebben. Opnieuw is het vast voor een groot deel verzonnen maar de uitwerking is voor hedendaagse kunst zo verregaand, ongekend en idioot, dat je onwillekeurig respect krijgt voor Hirsts perfectionisme – en dat is precies de bedoeling.

A man looks at a silver sculture titled “Skull of a Cyclops” by British artist Damien Hirst during the press presentation of his exhibition “Treasures from the Wreck of the Unbelievable” at the Pinault Collection in Punta della Dogana and Palazzo Grassi in Venice on April 6, 2017. / AFP PHOTO / MIGUEL MEDINA / RESTRICTED TO EDITORIAL USE - MANDATORY MENTION OF THE ARTIST UPON PUBLICATION - TO ILLUSTRATE THE EVENT AS SPECIFIED IN THE CAPTION
A woman looks at a silver sculture titled”Demon with Bowl” by British artist Damien Hirst during the press presentation of his exhibition “Treasures from the Wreck of the Unbelievable” at the Pinault Collection in Punta della Dogana and Palazzo Grassi in Venice on April 6, 2017. / AFP PHOTO / MIGUEL MEDINA / RESTRICTED TO EDITORIAL USE - MANDATORY MENTION OF THE ARTIST UPON PUBLICATION - TO ILLUSTRATE THE EVENT AS SPECIFIED IN THE CAPTION
Links: Skull of a Cyclops. Rechts: The Warrior and the Bear
Foto’s Miguel Medina/AFP

Met ‘Treasures’ probeert Hirst een fantastische schijnwereld maximale geloofwaardigheid te geven – je zou aan Ovidius’ Metamorfosen kunnen denken, maar evengoed aan Disneyland of aan de Efteling. Een wereld vol verwondering en vermaak, gemaakt om ons af te leiden van de harde werkelijkheid, onder te dompelen in fantasie en kleur en bekende emoties, een bijna kleverige vorm van schoonheid. Wat we normaal kitsch noemen.

Maar is dat het ook?

Proleet van de hedendaagse kunst

Laat ik maar eerlijk toegeven: ik twijfel. Dat komt allereerst door de Pavlov-reactie die Hirst bij veel kunstliefhebbers oproept (en waar hij overigens zelf van harte aan meewerkt): Hirst is de proleet van de hedendaagse kunst, die een schedel beplakt met diamanten (verkoopwaarde 50 miljoen pond) en in 2008 één keer 244 werken direct uit zijn atelier liet veilen om zo 111 miljoen pond op te strijken.

Maar wie Hirst louter als een patser wegzet, vergeet dat hij door die enorme bedragen ook een kwestie aansnijdt die in de kunst steeds belangrijker wordt: op welke manier vertegenwoordigt kunst een waarde? Wie bepaalt dat? Het zou zomaar kunnen dat Hirst daar op ‘Treasures’ (let op die titel) een interessant antwoord op formuleert, alleen moeten we daarvoor iets doen wat in de hedendaagse kunstwereld vrij ongebruikelijk is: hem inhoudelijk serieus nemen. Ja, dat is even slikken.

Toch zijn daar wel redenen voor. Wie iets langer op ‘Treasures’ rondloopt, ziet dat Hirst iets interessants doet: door het verhaal van het scheepswrak geeft hij zichzelf de mogelijkheid op de tentoonstelling verschillende soorten esthetiek voorbij te laten komen. Bijna perfect nagemaakte klassieke beelden zitten ertussen, maar ook soortgelijke beelden overwoekerd door ‘koraal’ en klassiek uitziende beelden die opvallend veel lijken op Kate Moss of Hirst zelf – waarmee Hirst je nadrukkelijk de vraag voorlegt waarom de ene stijl eigenlijk mooier of beter zou zijn dan de andere.

Damien Hirst, Demon with Bowl. Foto Miguel Medina/AFP

Of neem een gekoesterd begrip als authenticiteit. Waarom accepteren we al eeuwen dat kunstenaars uit de Renaissance de stijlmiddelen van de Grieken en Romeinen ongegeneerd kopieerden, maar mag je datzelfde mechanisme als hedendaagse kunstenaar niet gebruiken? Hirst voert zulke vragen wellustig, tot in het absurde, door: kijk, daar staat Quetzalcoatl, de Azteekse slangengod, helemaal in goud, of is het een Transformer? (let op die naam) En kijk, Goofy, in brons, helemaal bedekt met ‘koraal’.

Hoe zien we eigenlijk dat die perfect verweerde potten en ringen en zwaarden in die vitrine niet ‘echt’ zijn? En lijkt de Cerberus, het mythische driekoppige monster, in zijn uitvoering niet opvallend veel op Dioskilos, het monster dat de legendarische poppenmaker Ray Harryhausen vervaardigde voor de film Clash of the Titans (let op die titel)? Welke tijd, welke cultuur, oosters of westers, jong of oud, is hier eigenlijk dominant? Waar baseren we onze voorkeur eigenlijk op? Op smaak? Op geschiedenis? Of op geld?

Andere culturen

Daar raakt Hirst een gevoelige snaar. Sinds enkele jaren is de hedendaagse westerse kunstwereld in de ban geraakt van het besef dat ‘we’ wel heel lang op onszelf gericht zijn geweest. Of beter: dat we kunst te lang, te stug hebben beoordeeld vanuit de eigen westerse traditie, die via romantiek en avant-garde leidde naar de de-materialisering van de conceptuele kunst. Dat moet veranderen, vinden veel mensen, er moet meer oog komen voor kunst uit andere culturen. Alleen: daarbij dringt maar heel langzaam het besef door dat onze conceptuele traditie zelf een tweekoppig monster is.

Allereerst beseffen ‘we’ nauwelijks dat de conceptuele traditie in de wereld zoveel invloed heeft verworven omdat ze werd gesteund door een macht die ook economisch en politiek mondiaal de dienst uitmaakte. En tegelijk heeft die conceptuele traditie onze smaak zo vernauwd dat ‘we’ nauwelijks meer beseffen dat ze er in niet-westerse landen vaak een heel andere smaak op na houden – sterker nog: dat in de hele wereld, behalve het vooruitstrevende Westen, begrippen als ambacht, schoonheid en traditie in de kunst nog heel belangrijk zijn. Die landen worden nu rijker, en machtiger. Hun esthetiek wordt invloedrijker.

En daar komt Hirst weer in beeld.

Want hoe confronterend het ook lijkt: deze ‘Treasures’, met hun complexe kluts van schoonheden, sluit perfect aan op die mondiale smaakverandering. Hirst geeft de aandacht voor traditie, voor schoonheid, voor ambacht een nieuwe lading – en is het dan niet ironisch dat juist de westerse, progressieve kunstliefhebber die vindt dat we open moeten staan voor andere culturen deze tentoonstelling verschrikkelijk zal vinden? Sterker nog: hoe langer je hier rondloopt, hoe dwingender het besef wordt dat iedereen Hirsts werk mooi vindt, op een kleine elitaire westerse groep progressieve kunstliefhebbers na.

Dat is het confronterende aan deze Treasures: Hirst laat zien dat het conceptuele westerse schoonheidsideaal nog maar heel kort meegaat en een beperkte reikwijdte heeft. Ik ben ervan overtuigd dat hij zijn gelijk niet alleen gaat beweren, hij gaat het ook bewijzen: je kunt er vergif op innemen dat een groot deel van deze werken de komende jaren gaat opduiken in al die nieuwe musea die nu worden gebouwd in Qatar, Dubai, India, Rusland. Daarmee krijgt Hirst het gelijk van de macht, van het geld – en was dat niet óók het mechanisme dat de westerse avant-garde de afgelopen tweehonderd jaar zoveel invloed heeft verschaft? Zo bekeken is Hirsts ‘Treasures’ zomaar een artistiek statement van jewelste: een groot, verleidelijk, gecompliceerd statement over een veranderend schoonheidsideaal in een veranderende wereld.

Poenerig en patserig

Natuurlijk, het valt niet mee om Damien Hirst ineens te beschouwen als een serieuze cultuurcriticus. Het aura van poenerigheid en patserigheid is hardnekkig. Maar zijn ‘Treasures’ zouden heel goed een harde les kunnen zijn over de westerse culturele dominantie: wie echt wil openstaan voor andere culturen, zal steeds vaker iets moeten slikken wat hij niet lekker vindt.

Wen er maar aan. Dat veel westerse kunstliefhebbers Hirsts beelden kitsch vinden, daar is niks mis mee, maar het kan geen kwaad als we óók beseffen dat dit oordeel mondiaal vermoedelijk niet breed gedragen zal worden. En misschien wel nooit breed is gedeeld.