Column

Verdoofd bestaan

De vergaderzaal van A. Alberts, uit 1974, zal vermoedelijk een klassieke korte roman in de Nederlandse literatuur worden. Mijn ervaring is dat je het vaak kunt herlezen zonder dat het iets aan kracht inboet. Het gaat over een man, ‘meneer Dalem’, die een beroepsleven – in de zakenwereld – moet leiden waarvoor hij ongeschikt is.

Alberts beschrijft zijn ineenstorting, „dit proces van verwonding” noemde hij het zelf op de achterflap. Dalem wordt tijdelijk gek, moet uit het water worden gehaald en keert terug naar de vergaderzaal waar de sceptische collega’s hem zien aankomen. De slotzin: „Toen ze zagen dat hij naar boven keek, deden ze allemaal een stap terug.”

Dalem zou altijd een buitenstaander blijven, iets wat ook voor Alberts zelf opgaat. Ik heb me daarom vaak afgevraagd in hoeverre Alberts zichzelf in Dalem heeft geportretteerd. Het had weinig zin hem dat te vragen. In 1981 heb ik voor een interview twee lange middagen met hem gepraat. Hij was een uiterst vriendelijke man en hij vertelde veel en goed, maar zijn emoties hield hij er zo veel mogelijk buiten.

Typerend vond ik zijn antwoord op mijn constatering dat hij ook in de Nederlandse literatuur een buitenstaander was gebleven. „Ik zou ook niet weten bij wie ik ben in te delen. Als je van enige verwantschap wilt spreken, denk ik aan iemand als F. Springer. […] Ik lees weinig literatuur. Veel detectiveboekjes: als een tranquillizer voor het slapen gaan. Alles wat ik lees, moet me rust kunnen geven: Dickens, Walter Scott. Nabokov? Celine? Nee, dat dringt (wijst op voorhoofd) te veel bij me naar binnen.”

In de onlangs uitgekomen biografie van Alberts, Leven op de rand, gaat Graa Boomsma uitgebreid in op de overeenkomsten tussen Alberts en Dalem. Zijn aannemelijke conclusie: „Alberts staat heel dicht bij Dalem.” Zó dicht dat hij twintig jaar lang over de voltooiing van de roman dubde. Boomsma: „Het was eerder zijn verzwegen ‘gekte’, die hem heel lang in de weg stond, dan zijn zogenaamde writer’s block, waarvan Geert van Oorschot als slimme uitgever in 1974 een fantastisch verkoopverhaal maakte.”

Boomsma citeert een veelzeggende brief die Alberts in 1950 aan zijn promotor prof. dr. F.C. Gerretson schreef, toen hij een vervelende baan op een handelskantoor had: „Dit bestaan heeft mij eigenlijk ten deele verdoofd. Ik betrap er mijzelf soms op, dat mijn onverdoofde helft met een haast onmenselijke belangstelling naar het ander deel kijkt en zich afvraagt: Hoe lang houdt hij het nog vol? Vermoedelijk vrij lang en waarschijnlijk steeds beter. Of laat ik liever zeggen steeds gelatener.” En verderop: „De hele zaak zit mij tamelijk hoog en ik zou mij wel van die druk willen bevrijden.”

Dit zijn de persoonlijkste zinnen die ik ooit van Alberts heb gelezen. Hij kreeg later zinvoller werk (o.a. als redacteur bij De Groene Amsterdammer) en trad bovendien in een langdurig huwelijk, maar het is toch alsof er een existentiële onvrede aan hem bleef knagen.

Wat mij verraste was het excessieve drankgebruik dat Boomsma beschrijft. Als ambtenaar in Den Haag zat hij regelmatig „lichtelijk beschonken” op zijn werk en in zijn woonplaats Blaricum moest zijn vrouw Fientje hem soms uit de kroeg „takelen”.

Het bestaan moest af en toe nog steeds stevig verdoofd worden.