Queer kunstenaars hebben lak aan de norm

Tate Britain toont Britse kunst uit de tijd dat homoseksualiteit verboden was. De tentoonstelling geeft een inkijk in de geheime levens van de queer kunstenaars.

Henry Scott Tuke, The Critics, 1927. Olie op paneel, 412 x 514 mm.

„De reden dat ik praat over homo zijn, is dat ik niet wil dat de kinderen van nu niet kunnen genieten van hun seksualiteit. Het staat centraal in wie je bent.” Aan het woord is acteur Ian McKellen, in een korte film die vertoond wordt in Tate Britain in Londen. McKellen (1939) vertelt daarin over zijn jeugd, waarin homoseksualiteit verboden was.

Pas in 1967 werd seks tussen twee mannen in Engeland en Wales toegestaan, in Schotland en Noord-Ierland duurde dat zelfs tot de jaren tachtig.

Nu, vijftig jaar na de decriminalisering, organiseert Tate Britain de tentoonstelling Queer British Art 1861-1967. Ook dat eerste jaartal is niet toevallig gekozen: in 1861 werd de doodstraf op ‘buggery’ - sodomie - afgeschaft.

De tentoonstelling geeft een beeld van een ruime eeuw waarin queer kunstenaars hun plek in de samenleving proberen te vinden. De betekenis van queer is daarbij breder dan alleen homoseksueel: de identiteit van veel getoonde kunstenaars is lastig met moderne termen te beschrijven.

‘Dicht bij vulgariteit’

Neem bijvoorbeeld Hannah Gluckstein, die zich Gluck noemde, „zonder voorvoegsel, achtervoegsel of aanhalingstekens”. Ze stapte zelfs op bij een kunstgenootschap toen die haar als ‘Miss Gluck’ aanschreef. Of Marlow Moss, die geboren werd als Marjorie. Rond 1919 veranderde zij haar naam en nam ze een mannelijk uiterlijk aan, zonder verder als man door het leven te gaan.

Laura Knight, Zelfportret, 1913. Olie op doel, 152.4 x 127.6 cm.

Foto National Portrait Gallery
Hannah Gluckstein,
Gluck, 1942. Olie op doek, 306 x 254 mm.

Foto National Portrait Gallery
Links: Laura Knight, Zelfportret, 1913. Olie op doel, 152.4 x 127.6 cm. Rechts: Hannah Gluckstein, Gluck, 1942. Olie op doek, 306 x 254 mm.
Foto’s National Portrait Gallery

De tentoonstelling in Tate Britain zit vol met dit soort mensen die lak hadden aan de norm van de tijd waarin zij leefden. Bijvoorbeeld Laura Knight: op haar zelfportret schildert ze een vrouwelijk naaktmodel. Dit stootte de kunstwereld tegen het verkeerde been. Een recensent beschreef het werk als ‘afstotend’ en ‘gevaarlijk dicht bij vulgariteit’. In de tijd dat Knight aan de kunstacademie studeerde, mochten vrouwen geen lessen met naaktmodellen volgen: het schilderen van een naakte vrouw was voorbehouden aan mannen.

Bij andere kunstenaars ligt de ‘queer-heid’ minder dicht aan de oppervlakte. Een beeld van een knappe, half ontklede boerenjongen van Hamo Thornycroft of de schilderijen van naaktzwemmende jongens van Henry Scott Tuke zijn met de kennis van nu behoorlijk homo-erotisch, maar de kunstenaars zelf waren niet uitgesproken over hun seksualiteit.

Ondergang van Oscar Wilde

Even verandert de tentoonstelling in een geschiedenisles over schrijver Oscar Wilde. Toen die een heimelijke relatie kreeg met Alfred Douglas, de zoon van de Markies van Queensberry, probeerde de Markies hem publiekelijk ten schande te brengen door een kaart achter te laten bij Wilde’s herenclub, gericht aan „Oscar Wilde, die zich voordoet als somdomiet” [sic].

John Craxton, portret van een Griekse matroos, 1940. Olie op paneel, 330 x 305 mm. Estate of John Craxton. Foto: London Borough of Camden

Het briefje leidde tot de ondergang van Wilde. De schrijver klaagde de Markies aan voor smaad, maar diens advocaten wisten te bewijzen dat Wilde omging met mannelijke prostituees. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar voor ‘grove onzedelijke handelingen’.

In de tentoonstelling worden zowel de gevangenisdeur van Wilde als het briefje van de Markies van Queensberry getoond. Het portret van Wilde dat ertussen hangt is een stuk minder interessant dan deze historische rekwisieten.

Pas de latere kunstwerken zijn meer uitgesproken: een aantal schilderijen uit de jaren veertig doet al denken aan wat later homo-erotische clichés zouden worden: zo hangen er verschillende portretten van matrozen en lijken de buitengewoon gespierde mannen op het schilderij Soldiers at Rye van Edward Burra op het eerste gezicht in leer gehuld.

Privé-levens

Af en toe draaft Tate Britain wat door in de zoektocht naar een erotische ondertoon. Zo wordt bij het schilderij Man with Gun van Glyn Warren Philpot gesteld dat het model de loop van zijn geweer ‘op een suggestieve manier vasthoudt’ - maar hoeveel manieren zijn er om de loop van een geweer vast te houden?

Keith Vaughan, tekening van twee zoenende mannen, 1958–73. Foto DACS, The Estate of Keith Vaughan

De tentoonstelling geeft een interessante inkijk in de privé-levens van de getoonde kunstenaars. Er is een bokaal te zien die Charles Robert Ashbee in 1893 cadeau gaf aan zijn homoseksuele vriend James Headlam, toen die trouwde met een vrouw. In de bokaal staat gegraveerd: ‘ter gelegenheid van zijn betreurenswaardige overgang naar de huwelijkse staat’. Met wat fantasie zijn in de steel en oren, beide van bollen voorzien, fallussen te zien.

Vlakbij hangt The Bride, Bridegroom and Sad Love van Simeon Solomon, over hetzelfde thema: een jonge homoseksuele man ziet zich gedwongen toch met een vrouw te trouwen.

Echt expliciet wordt het bijna nergens. Alleen op de privé-schetsen van Keith Vaughan en Duncan Grant is seks én liefde tussen mannen te zien waar geen misverstand over kan bestaan. Deze schetsen waren nooit voor publiek bestemd, waardoor de kunstenaars hun fantasie de vrije loop konden laten. Het zijn wellicht de kunstwerken die ze gemaakt zouden hebben, als zij dat in vrijheid hadden kunnen doen.