Column

Precisie is lastig, toch raast stelligheid over de wereld

Laat ik bescheiden zijn en vicepresident George H.W. Bush aanhalen. Die wilde ook bescheiden zijn: hij haalde Abraham Lincoln aan. Die wilde ook al bescheiden zijn en zei dat hij voor zijn gehoor stond met onvolkomenheden – wratten – en al. „Here I stand, warts and all.” Alleen heeft Abe Lincoln dat nooit gezegd.

Precisie is niet het grootste talent van de menselijke soort. Als een bewering eenmaal rondzingt, vraagt vrijwel niemand zich meer af of die wel klopt, en zo krijgt ze al gauw steeds vreemdere interpretaties en gevolgen. Volgens Abraham Lincoln kun je niet iedereen de hele tijd voor de gek houden. „You cannot fool all the people all the time.” Maar dat kun je wel. En bovendien heeft Lincoln dat net zomin gezegd.

De Grondwet geeft ons het recht alles te zeggen wat we maar willen, en dat doen we vervolgens. Of het klopt is een tweede. Of je elkaar begrijpt een derde. Zelf weet ik niet goed of uitingsvrijheid wel nut heeft als je het vervolgens nooit eens kunt worden over de betekenis van de woorden. Het uiten ervan mag een therapeutische werking hebben, voor het bereiken van onderling begrip schiet het niet op. Dat kan ik me op deze plek allereerst zelf aantrekken, want welk nut heeft het iets te zeggen als dat tot niets leidt?

In de opnieuw opflakkerende discussie over discriminatie moet je ernaar streven precies te zijn. Discriminatie is een wijdvertakt begrip en iedereen wordt om een andere reden gediscrimineerd. Wie het meest? Op de arbeidsmarkt: ouderen. Op de Belgische straten van een paar jaar geleden: de ‘HoLeBi-jongeren’. Van alle patiënten met psychiatrische aandoeningen: degenen met schizofrenie. Zomaar wat uitkomsten van onderzoeken die ik naar willekeur opvis.

Wat betekent het begrip discriminatie in zulke verschillende gevallen? Rottige opmerkingen? Onrechtvaardige behandeling op straat? Onrechtmatig onderscheid door de overheid? Aantasting van gelijkheid-voor-de-wet? Het is zaak die dingen zuiver uit elkaar te houden. Zoals je ook duidelijk moet maken hoe je de groepen voor je onderzoek aanwijst en waarom.

Voordat je bijvoorbeeld hebt uitgezocht wie die HoLeBi-jongeren zijn, heten die alweer LHTB of iets nog veel geheimzinnigers.

Taal is ongrijpbaar. Nederlanders zijn zelden voorstander van overheidsdiscriminatie, ze zijn meestal wel gesteld op gelijkheid-voor-de-wet. En gedoe over discriminatie is dus zelden gedoe over het gelijkheidsprincipe zelf. Het is gedoe over begripsdefinities, beweringen, interpretaties. Daarbij lopen de verschillende niveaus van ‘discriminatie’ in de exegeses vaak onnavolgbaar door elkaar. Het individuele, het sociale, het politieke, het grondwettelijke.

Een experiment in Sunny Bergmans documentaire Wit is ook een kleur plaatst mensen op een rij naast elkaar. Ze doen een stap naar voren als ze een voorrecht van zichzelf herkennen. Kun je erop vertrouwen dat de politie je op straat beschermt? Ja? Stap naar voren! De witte, mannelijke journalist die vooraf voorspelt dat hij bij het optellen van zijn voorrechten waarschijnlijk hoog zal eindigen, beklaagt zich niettemin in ernst over zijn positie. „Ik denk dat de meest gediscrimineerde groep in de westerse wereld langzamerhand de blanke man wordt.” Hij ondervindt er namelijk fiscaal nadeel van dat hij in een grote auto moet rijden. „Vanwege mijn lengte.”

Precisie is lastig. Toch raast de stelligheid over de wereld. Zo weten velen stellig dat Pim Fortuyn vijftien jaar geleden de gelijkheid-voor-de-wet wilde afschaffen uit artikel 1 Grondwet. Maar had hij dat gewild, dan had hij dat wel gezegd. Ik houd even stellig vol dat hij artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht wilde afschaffen en daarmee de vrijheid van meningsuiting van artikel 7 Grondwet wilde verruimen.

Hij citeerde Voltaire – „Ik kan uw mening nog zo abject vinden, maar ik zal uw recht verdedigen om die te uiten.” Al heeft Voltaire dat nooit gezegd. Vervolgens is aan een hutsekluts van verkeerd geciteerde wetsbepalingen, foutieve artikelnummeringen en incoherente weergaven een verontwaardigde interpretatie over artikel 1 opgehangen. Die is een eigen leven gaan leiden.

Hier sta ik. Warts and all. Als iemand schrijft dat mijn lezing van de geschiedenis de plank misslaat, kan ik nog wel stelliger roepen dat ik gelijk heb, maar voor je het weet gelooft iedereen mij weer. Dat is namelijk het zware lot van de witte heteroseksuele man: dat iedereen meteen gelooft wat je zegt.

Zou het niet mooi zijn als professionele lezers gewoon zelf alle betrokken teksten lezen en niet langer alleen de koppen en het rondzingende citaat? „Jullie moeten zelf nadenken”, zegt de Bijbel in de versie van Monty Python. Jullie zijn allemaal verschillend.

Maxim Februari is jurist en columnist. Deze column is wekelijks.