Kindertelefoon vreest voor voortbestaan

Vanaf 2018 wordt de organisatie niet langer centraal gefinancierd, maar door de bijna vierhonderd gemeenten afzonderlijk.

Een vestiging van de Kindertelefoon in Amsterdam. Foto Olaf Kraak / ANP

De Kindertelefoon, de vertrouwelijke vraagbaak voor kinderen met opgroeiproblemen, vreest voor zijn voortbestaan. Dat zegt directeur-bestuurder Erik Ott tegen NRC. Vanaf 2018 zal de organisatie niet langer centraal worden gefinancierd, maar door de bijna vierhonderd gemeenten afzonderlijk.

De gemeenten staan onder grote tijdsdruk om de inkoop te regelen: zij weten pas sinds eind vorige week zeker wat de inkoop zal kosten, terwijl zij uiterlijk op 1 juni aanstaande de overeenkomst moeten tekenen om de Kindertelefoon genoeg zekerheid te bieden voor de komende jaren. Een te kort tijdsbestek, verwacht Ott, omdat de inkoop eerst door het college – en vaak ook door de gemeenteraad – moet worden goedgekeurd.

Kopen niet alle 388 gemeenten de zorg tijdig in, dan is de Kindertelefoon wettelijk verplicht een sociaal plan in gang te zetten, en dus het vertrek van medewerkers voor te bereiden. Ott: „Met minder personeel neemt onze bereikbaarheid af. Dat gaat ten koste van kinderen.”

Kinderen bellen de Kindertelefoon veelal met vragen over pesten, seksualiteit, relaties, de thuissituatie en mishandeling. De Kindertelefoon – 45 beroepskrachten, zeshonderd vrijwilligers en een jaarbudget van 3,8 miljoen euro – nam vorig jaar 540.000 telefoontjes aan, handelde 80.000 chatverzoeken af en kent per dag 8.000 forumdeelnemers.

Toch decentraal geregeld

De plotse financiële decentralisatie raakt ook twee andere organisaties: het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), de organisatie van vertrouwenspersonen voor kinderen en ouders in de jeugdzorg, en Sensoor, waar volwassenen met problemen terecht kunnen voor een luisterend oor.

Lees meer over de hardnekkigheid van de administratieve rompslomp in de jeugdzorg: Rapport: problemen in jeugdzorg worden blijvend

Ondanks de decentralisatie van zorgtaken naar gemeenten per 2015 zijn deze drie organisaties tot dusver centraal gefinancierd, omdat zij alle een landelijk vastgelegde, wettelijke taak vervullen: die van vertrouwelijke vraagbaak. Inkoop door alle gemeenten afzonderlijk zou niet passend zijn, was de overtuiging bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en bij de Kindertelefoon, het AKJ en Sensoor zelf. Neem de Kindertelefoon: de woongemeente van het kind doet er niet toe. Sterker, de Kindertelefoon kent de woonplaats niet want het kind belt anoniem. Een centrale betaalconstructie zag daarom het licht. De VNG roomde een deel van het Gemeentefonds af, en keerde dat geld uit aan de drie vertrouwensorganisaties.

Die constructie werkt naar behoren, maar bleek in strijd met de bedoeling van het Gemeentefonds. Het geld uit dat fonds is namelijk bestemd voor de afzonderlijke gemeenten, niet voor een koepelvereniging à la VNG.

Daardoor geschiedt nu alsnog hetgeen waar betrokkenen voor vreesden: lokale inkoop van een landelijk verankerde functie. De drie organisaties verwachten dat de kwaliteit van hun werk eronder zal lijden. Niet alleen omdat zij erop rekenen dat veel gemeenten de inkoopdeadline van 1 juni niet halen, maar ook omdat zij nu contracten moeten sluiten met alle 388 gemeenten. Late betaling door gemeenten, en een veelheid aan factuur- en verantwoordingseisen, zijn nu juist zaken die de jeugdzorg al sinds 2015 plagen. Met 388 contractpartners is het risico op rompslomp maximaal.

Nog één maand salaris betalen

„Mijn grote angst komt uit”, zegt directeur-bestuurder Jenine Timmers van het AKJ. „Je moet dit collectief financieren, niet lokaal.” Vertrouwenspersonen van het AKJ (circa 90 fte, jaarbudget 7,5 miljoen) bezoeken wekelijks specialistische instellingen waar jongeren wonen op gesloten afdelingen, zodat zij klachten kunnen indienen als hun rechten worden geschonden. Late en onzekere betaling ondergraaft dat werk, zegt Timmers. Eigen vermogen heeft het AKJ – net als de Kindertelefoon – nauwelijks. „We kunnen één maand salaris doorbetalen, dan begint de afbraak.”

De VNG noemt de inkoopdeadline van 1 juni bij monde van een woordvoerder „heel spannend”. De VNG is, net als de drie organisaties zelf, voorstander van re-centralisatie: de vertrouwenstaken leggen bij het Rijk, via een fonds te beheren door VWS. De VNG-woordvoerder: „Achteraf bezien is het onterecht dat deze vertrouwenstaken bij de gemeenten zijn belegd.”

Kamerlid Lilian Marijnissen (SP) heeft deze dinsdag Kamervragen over de kwestie gesteld.