In Slavjansk vertrouwt niemand meer op Kiev

Oost-Oekraïne Drie jaar na het ‘Beleg van Slavjansk’ wachten inwoners en vluchtelingen nog altijd op hulp vanuit Kiev.

Foto Eva Cukier

NRC studio

‘Daar sloeg de raket in, bij de rechtervleugel.” Verpleegster Olga, een keurige vijftiger met knalrood geverfd haar, wijst naar een dichtgemetseld gat in de rechtervleugel van het kinderziekenhuis van Slavjansk. In het voorjaar van 2014 lag het grauwgrijze ziekenhuis in de vuurlinie van gevechten tussen pro-Russische separatisten uit Donetsk en het Oekraïense leger. Wie de raket afvuurde weet Olga niet, volgens haar moeten het wel de Oekraïners geweest zijn. „Kiev probeert de schuld af te schuiven op Rusland, ze spelen onder een hoedje met de Amerikanen.” Als het aan Olga lag was ze allang naar Rusland verhuisd, maar haar kinderen willen niet. Dus blijft ze werken in het kinderziekenhuis, dat ook zonder de sporen van oorlogsgeweld betere tijden heeft gekend. „De kinderen zijn vaker ziek dan vroeger. En trauma’s natuurlijk, ze schrikken van elk geluid.”

Het kinderziekenhuis in Slavjansk. Foto Eva Cukier

De locoburgemeester van Slavjansk, Igor Podlesny, heeft een heel andere uitleg van het schietincident. „Heb je het gat gezien? Dat was geen raket maar een granaat. De inslag was op 1 juni, in Oekraïne is dat de ‘Dag van de Bescherming van het Kind’. Dat is geen toeval, de separatisten losten een schot op het ziekenhuis zodat Russische journalisten konden opschrijven dat Oekraïners hun eigen kinderziekenhuis beschoten, op ‘kinderdag’ nog wel. Het was heel precies voorbereid.”

Bekijk hieronder beelden van de schade in et kinderziekenhuis:

Gemaskerde mannen

Drie jaar geleden, op 12 april 2014, werd de 120.000 inwoners tellende stad Slavjansk (Oekraïens: Slovjansk) in de Oost-Oekraïense regio Donetsk het middelpunt van de strijd tussen separatisten en het Oekraïense leger. Drie weken na de annexatie van de Krim door Rusland en vijf dagen na het uitroepen van de ‘volksrepubliek Donetsk’ door pro-Russische separatisten, viel een legertje gemaskerde en gewapende mannen het nietsvermoedende Slavjansk binnen. Ze werden aangevoerd door Vjatsjeslav Ponomarjov, een mysterieuze lokale zeepfabrikant, en de Russische oud-militair en oud-FSB’er Igor Girkin, die eerder actief was bij operaties op de Krim, in de Kaukasus en in het van Moldavië afgescheiden Transnistrië.

Na de succesvolle inname van schiereiland de Krim kregen door Rusland gesteunde separatisten, opgehitst door pro-Russische propaganda, voet aan de grond in de twee oostelijke regio’s Donetsk en Loehansk. Nadat die zich eenzijdig hadden afgescheiden van Oekraïne, verlegden de separatisten hun aandacht naar andere Oekraïense steden. Als belangrijke verkeersader was Slavjansk hun eerste doel. De mannen namen overheidsgebouwen in en gijzelden de burgemeester van de stad, Nelja Sjtepa, die de troepen eerder schoorvoetend had verwelkomd.

Een dag na de overname begon het Oekraïense leger een tegenoffensief vanaf de berg Karatsjoen, ten westen van de stad. Bijna drie maanden duurde wat bekend zou worden als ‘het beleg van Slavjansk’. In totaal kwamen aan beide zijden zo’n 120 mensen om het leven, onder wie zo’n dertig burgers en een Italiaanse fotojournalist. Al die tijd zaten de inwoners zonder water en licht, bleven winkels en banken gesloten.

Anderhalf miljoen vluchtelingen

Zeventiger Ljoedmila Aleksandrovna kan zich het geweld nog levendig herinneren. Ze laat haar hondje uit bij een monument voor de Tweede Wereldoorlog, tegenover haar huis. Pal ernaast is een provisorisch gedenkteken opgetrokken: portretten van vier jonge mannen omlijst door kransen van nepbloemen. „Overal werd geschoten. Die jongens stierven hier, doodgeschoten. De koeling in het mortuarium werkte niet, dus zijn ze hier begraven.”

Ook Aleksandrovna kan niet precies vertellen wat er is voorgevallen in de lente van 2014, wie op wie schoot en waarom. Niemand in de stad lijkt het te weten, een officieel onderzoek is nooit ingesteld.

Ljoedmila Aleksandrovna. Foto Eva Cukier

Niemand in Slavjansk denkt graag terug aan die gewelddadige lente van 2014. Maar de herinnering blijft. Bij checkpoints rond de stad controleren Oekraïense militairen nog dagelijks auto’s, af en toe wordt een ‘saboteur’ of ‘spion’ in de kraag gevat.

Daarnaast kwamen er door het conflict een stroom ontheemden die de Europese vluchtelingencrisis in omvang evenaart. In totaal sloegen meer dan anderhalf miljoen mensen op de Krim en in de Donbas op de vlucht. Hoewel zij zich over heel Oekraïne verspreidden, kwam het grootste aantal dicht bij huis in de regio’s Cherson, Donetsk, Loehansk en Charkov terecht. Na de logistieke chaos van de eerste maanden werd met hulp van VN en EU een registratiesysteem opgezet. Sindsdien ontvangen de vluchtelingen een toelage van tussen de 200 en 884 hryvna (7 en 30 euro) per maand. Verdere hulp bleef grotendeels uit, de meesten zijn aangewezen op familie en liefdadigheid.

Met 60.000 geregistreerde vluchtelingen is ook in Slavjansk de druk groot. „Sommige steden en dorpen zagen hun inwonertal verdubbelen”, zucht Valentina Kovaljova van het lokale Rode Kruis dat kantoor houdt in een kamertje in de stadsbibliotheek. Haar kantoor probeert te doen wat de overheid nalaat: voedsel en kleding uitdelen, verwoeste huizen repareren. De integratie van de ontheemden verloopt moeizaam, vertelt Valentina. „De meesten willen helemaal geen nieuw bestaan opbouwen, ze willen gewoon naar huis. Hier in Slavjansk is sowieso nauwelijks werk te vinden en de huurprijzen zijn veel te hoog.” In afwachting van betere tijden reizen de mensen daarom heen en weer, naar familie en vrienden aan de andere kant van de grens; dagelijks steken zo’n 40.000 mensen de grens met de volksrepublieken Donetsk en Loehansk over. Het is de autoriteiten een doorn in het oog.

Een gedenkteken voor omgekomen inwoners van Slavjansk.Foto Eva Cukier

Svjatohirsk ligt verscholen in de bossen op een half uur rijden van Slavjansk. Het kuur- en bedevaartsoord ligt er op zaterdagmiddag verlaten bij. Vanaf een steile rots overziet een tien meter hoog standbeeld van de Sovjetheld ‘Artjom’ de glanzende koepels van het zeventiende-eeuwse Heilige Berg-klooster. In de jaren 20 moesten de monniken op last van de Bolsjewieken plaatsmaken voor mijnwerkers die in het aanpalende sanatorium hun stoflongen lieten behandelen. Pas in 1991 mochten de monniken terugkeren. Tegenwoordig trekt het stadje naast pelgrims, toeristen en zieken een heel ander publiek: honderden vluchtelingen zochten er hun heil.

Een van hen is Olga Ovsjannikova. Met zo’n 215 andere ontheemden bewoont ze de eerste verdieping van het sanatoriumgebouw. Olga vluchtte in 2014 met haar gehandicapte zoon uit Donetsk, waar ze naast het zwaar bevochten vliegveld woonde. Na omzwervingen belandde ze bij de monniken in het klooster. „’s Winters was het er goed, we kregen onderdak en eten”, vertelt Olga, gezeten op een gescheurde bank in de kale sanatoriumhal, waar alleen een bordje van VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR verwijst naar de nieuwe functie van het gebouw. „Maar de monniken hebben strikte regels en geen koelkasten, en ik moet medicijnen kunnen bewaren voor mijn invalide kind.”

Gehandicapte zoon

Er was eerst geen warm water en in de zomer douchten de mensen buiten, vertelt Ovsjannikova. Ook de verwarming deed het niet. „Natuurlijk doen we bij de overheid ons beklag over de omstandigheden, maar de autoriteiten doen niets. We kunnen alleen maar hopen dat ze ons hier niet wegjagen zoals op andere plekken gebeurt.” Olga’s man bleef achter in Donetsk, ze leeft nu van haar vluchtelingentoelage en die van haar gehandicapte zoon, in totaal zo’n 40 euro per maand. De rest krijgen de bewoners van internationale organisaties als het Rode Kruis en Caritas. En van Rinat Achmetov. De machtige staaloligarch uit Donetsk richtte een fonds op waarmee hij ontheemden ondersteunt. „Zonder Rinat waren we nergens”, zucht Olga. „Hij is de enige in Oekraïne die nog wat voor ons doet.”

De kinderen in de opvang lijden onder de situatie, ze hebben heimwee en trauma’s. Binnenkort is het schoolvakantie, „dan kunnen de kinderen weer even naar huis”, mijmert de hoogblonde twintiger Vika, terwijl ze haar zoontje over zijn bol aait. Thuis is het stadje Avdiivka nabij Donetsk, waar de strijd eind februari oplaaide en nog iedere dag wordt geschoten.

Hoewel de meeste inwoners van Slavjansk de Oekraïense staat lijken te steunen, richt de frustratie over de uitzichtloze situatie en het aanhoudende conflict zich niettemin op Kiev. De onverschilligheid van de politiek over het lot van de getraumatiseerde regio is een constante bron van ergernis. Met het verre Kiev hadden de inwoners van Slavjansk al niet zoveel, sinds 2014 is de relatie nog moeizamer. Dat vertaalt zich in steun voor oppositiepartij Oppositie Blok van politicus Joeri Bojko, een samenstelling van partijen die zich tegen de Maidan-opstand in Kiev keerden. Donald Trumps latere adviseur Paul Manafort was in 2014 medeoprichter van de partij.

Natalia Popova, hoofdredacteur van het plaatselijke televisiekanaal S-Plus, heeft geen goed woord over voor de handelwijze van Kiev. „Het waren maar zestig gewapende mannen, en zelfs die konden ze niet tegenhouden. Noch de autoriteiten in Donetsk noch die in Kiev deden iets. ‘Wacht af en voorkom bloedvergieten!’, was de enige instructie aan onze burgemeester. Maar instructies bleven uit.”

Popova was verbijsterd toen het Oekraïense leger in die aprildagen in 2014 Slavjansk onder vuur nam. „Stel je voor, je bent een doodgewone burger en plotseling wordt er van twee kanten op je geschoten.” In de kleine televisiestudio moppert ze over de regels die vanuit Kiev worden opgelegd, zoals het actieve Oekraïniseringsbeleid dat maakte dat ook haar zender onlangs moest overschakelen op het Oekraïens, terwijl het grootste deel van de inwoners Russisch als eerste taal heeft. „Ze hadden daar in Kiev moeten nadenken voor ze de opstand begonnen, nu is het een rommeltje.”

Tussenhandelaren

Pavel Lisjanski. Foto Eva Cukier

Een andere bron van ergernis is de voortdurende handel tussen het door Oekraïne gecontroleerde gebied en de volksrepublieken. Oorlog of niet, steenkool en metaal wordt sinds 2014 nog altijd met tonnen de grens overgebracht. Want zonder de import van grondstoffen uit de industriële Donbas kan Oekraïne niet overleven. Bij de grens staan tussenhandelaren de vracht op te wachten, criminelen pikken hun graantje mee. De illegale handel loopt in de tientallen miljoenen euro’s, berekent mensenrechtenactivist en jurist Pavel Lisjanski. Sinds 2014 doet Lisjanski, die zelf vanaf zijn vijftiende in de mijnen van Donetsk werkte, onderzoek naar de grondstoffenhandel tussen Oekraïne en de separatisten en verdedigt hij de rechten van individuele arbeiders. In het sterk gepolitiseerde klimaat van Oost-Oekraïne geen ongevaarlijk beroep: de 29-jarige overleefde al drie aanslagen op zijn leven.

Naast de officiële mijnen zag Lisjanski illegale delflocaties sinds het begin van het conflict als paddenstoelen uit de grond schieten. „Mijnwerkers werken daar onder extreem gevaarlijke omstandigheden, er gebeuren vaak ongelukken. Er worden gevangenen ingezet, bijna als slaven.”

Uit protest tegen de handel met de separatisten blokkeerde een groep gewapende veteranen – nationalisten van de extreemrechtse groeperingen Rechtse Sektor en Azov – eind januari enkele spoorwegen uit Donetsk en Loehansk. De illegale actie kreeg landelijk bijval en stelde de Oekraïense president Petro Porosjenko voor een dilemma: optreden tegen de alom gerespecteerde veteranen en zelf actie ondernemen, of de boel laten escaleren. Na lang aarzelen koos hij voor het eerste: de veteranen werden van de rails gehaald maar kregen hun zin: begin maart stelde de overheid een eigen handelsblokkade in. Over de effectiviteit van die maatregel is Lisjanski sceptisch. „Het enige wat je ermee bereikt, is dat de banden met Oekraïne verder zullen verzwakken. De Oekraïense staatsbedrijven waren de laatste eilandjes in een bezet gebied, die zijn nu verloren. En wat doen de mijnwerkers als hun inkomsten verdwijnen? Ze gaan vechten tegen Oekraïne, dat levert ze tenminste nog een inkomen op.”