Bidden, waaien en nu swipen, onze handen hebben zelden rust

Handen We tikken, browsen en klikken eindeloos. Wat deden we vroeger met onze handen?

Lichamelijke onrust, wie kent het niet? Friemelen, plukken, pulken, swipen, knijpen, scrollen, onze handen komen zelden tot rust. Waarom vinden we het lastig om ‘niets omhanden te hebben’? De Britse psychoanalyticus Darian Leader onderzocht voor zijn boek Handen. Wat we met ze doen – en waarom hoe baby’s met handen en vingers bezig zijn, hoe handen ons in staat stellen de wereld om ons heen te manipuleren en wat de symbolische betekenis is van de hand. Ook bekeek hij hoe onze ‘handtechnologie’ in de loop van de eeuwen veranderde. Is het inderdaad zo dat we nu, meer dan ooit, onze handen dienstbaar maken aan onze eigen uitvindingen?

Zozeer zelfs dat we door dat eindeloze tikken, browsen en klikken geconfronteerd worden met een toenemend aantal computer- en telefoongerelateerde klachten?

Is het lichaam ondergeschikt aan de technologie? Volgens Leader ligt het genuanceerder. „Hoewel de manier waarop we onze handen gebruiken verandert, is het feit dát we onze handen graag aan het werk zetten niets nieuws. Van weven tot spinnen tot breien tot sms’en, mensen hebben hun handen altijd beziggehouden.” Een klein historisch overzicht, met fragmenten uit Handen, over friemelende vingers en grove gebaren en hoe ze vanaf de vijftiende eeuw werden geciviliseerd. Hieronder een klein historisch overzicht, met fragmenten uit Handen, over friemelende vingers en grove gebaren en hoe ze vanaf de vijftiende eeuw werden geciviliseerd.

Bidden

Van religieus advies tot boeken over hoffelijkheid uit de vijftiende en zestiende eeuw: in alle gevallen werd mensen verteld wat ze wel en niet met hun lichaam, en dus met hun handen, mochten doen. De kerk was zo’n plek waar de regels werden geformuleerd. Tegen de vijftiende eeuw knielden de gelovigen bij het bidden en werden de handen netjes voor het lichaam gehouden, de handpalmen tegen elkaar. Dit was gebaseerd op een oude Germaanse praktijk die zijn wortels had in de feodale riten van het leenmanschap.

Als een vazal van zijn heer een stuk land in leen kreeg, moest hij zweren hem trouw te dienen door de handen samen te vouwen in die van de meester. De relatie tot de godheid in de kerk volgde dus de techniek van feodale onderwerping. Alleen werden de handen nu gepakt door een ander ‘onzichtbaar’ paar: die van God. Zo kon de vrome ook niet friemelen, plukken of krabben.

Met handschoen

In de zestiende eeuw breidde, wat Leader noemt ‘de handtechnologie’, zich uit. In plaats van handen die smeken, wijzen of gebaren zien we handen die gewoon iets vasthouden. Handschoenen, die in de portretten van de zestiende eeuw vaak voorkomen, waren een statussymbool. Ze brachten informatie over door middel van de waarden die door het materiaal, de kleur en de lengte werden vertegenwoordigd.

Ook was het van belang, in het sociale verkeer, hoe ze werden vastgehouden en aan- en uitgetrokken. Over een handschoen kon geen opmerking worden gemaakt, maar als hij viel, was dat wel een contactmoment.

Waarschijnlijk raakten heel wat dames ‘per ongeluk’ hun handschoen kwijt.

Waaier

Ook waaiers waren erg populair bij beide seksen. Ze werden gehangen aan de riem of de ceintuur en continu gebruikt als er mensen in de buurt waren: men moest er één in de hand hebben. Status en rang waren af te lezen aan de waaier en zo onstond er een heuse waaier-mode: vouwwaaiers werden bedrukt of beschilderd met portretten, kaarten of religieuze en politieke scènes. Tegen 1710 waren er alleen al in Londen rond de driehonderd waaiermakers.

Rond het midden van de eeuw was er zelfs een waaierbelasting. Naarmate de handel in deze populaire objecten groeide, konden ook mensen die nooit een salon bezochten, wel een goedkopere versie van een waaier bemachtigen. Zo ging het friemelen en krabben over in wapperen.

Zakdoek

Zakdoeken werden in de zestiende en zeventiende eeuw ook in de hand gehouden. Terwijl men meestal de neus snoot tussen de vingers, was de zakdoek een teken van rijkdom. Zakdoeken waren soms heel groot en vaak versierd met borduursels. Net als de handschoen kon de zakdoek dienen als middel tot sociale interactie. Oeps, alwéér op de grond gevallen…

Snuifdoos

De grote populariteit van handschoenen en waaiers werd aangevuld door de snuifdoos. Velen rommelden en friemelden de hele dag met hun doosje. In een ironisch bedoelde advertentie in The Spectator uit 1712 werden zelfs lessen aangeboden in hoe men de snuifdoos moest vasthouden en hem ‘op de meest modieuze manier uit de zak moest halen’.

Een figuur aan het hof die in het Britse literaire magazine The Tatler werd bespot, kon alleen vragen beantwoorden terwijl hij snoof en zichzelf een houding gaf door ‘zijn doosje soms te openen, soms te sluiten en dan de afbeelding op de deksel te bekijken.’ Het idee van leven zonder snuif leek voor sommigen zelfs ondenkbaar.

Haar

Behalve accessoires waarmee kon worden gefriemeld was het meest prominente handobject: het haar. Het aanraken van baard en bakkebaarden was (en is) een gebruikelijke manier om de handen bezig te houden. Kunnen mannen nu bij de hipsterkappers terecht voor een baard- of snorbehandeling, in de regeerperiode van Elizabeth I brachten heren de halve dag door bij de barbier, waar baarden werden opgestijfd, geparfumeerd en gekleurd. Charles Dickens schreef dat „het leven [zonder snorren] oneindig saai zou zijn”.

De sigaret

In de negentiende eeuw maakte de snuiftabak plaats voor de sigaret. Roken bood de handen wat te doen, privé en in het openbaar. Dat was ook al het geval met de pijp. Deze ging vooraf aan de snuif en bleef lange tijd ernaast bestaan, maar was een teken van lagere sociale rang, hoewel die associatie in de negentiende en in vroege twintigste eeuw begon te verschuiven. In tegenstelling tot de sigaret, die al in gerolde vorm werd aangeboden, kostte de voorbereiding die bij het pijproken hoorde veel tijd, maar hielden ze de handen ook meer bezig.

De sigaret diende als een goed excuus om even samen een gezellig moment te delen. En nog steeds. Behalve de roes van de nicotine gaf (en geeft) het in handen hebben van de sigaret (of het pakje), aldus Leader, velen een bijzonder gevoel van zelfredzaamheid: „De wereld mag dan een onvoorspelbare, beangstigende en onrechtvaardige plek zijn, maar ik heb hier wat ik nodig heb, dit kleine voorwerp, voor bezit waarvan ik niet van iemand anders afhankelijk ben.”

Het mobieltje

Nu de wereld tabaklozer wordt, koloniseert de mobiele telefoon dezelfde sociale en lichamelijke ruimte als de sigaret. Door het mobieltje, maar ook computers en tablets kunnen mensen zich even onttrekken aan de ander. Deze bemiddelaars stellen ons in staat ergens anders te zijn, aldus Leader. Daardoor raakt de mens zichzelf een beetje kwijt.

Dit is niet alleen negatief: „Vervreemding vervult een noodzakelijke functie die ons mede in staat stelt te concentreren en om te gaan met de spanning en onrust in onszelf.”

Dit is ook de reden, aldus Leader, dat de vele projecten die moeten zorgen dat we van de nieuwe technologie afblijven, waarschijnlijk geen effect hebben. Hij wijst op de Google Glass – de draagbare computer in de vorm van een bril – dat maar weinig respons kreeg. „Het vooruitzicht om alleen via onze stem met computers te communiceren lijkt aantrekkelijk, maar het zorgt er ook voor dat misschien wel de belangrijkste rol van deze technologie zal weg vallen: onze handen een reden te geven om te tikken, te typen, te klikken, en te scrollen. Taal moet belichaamd worden.”

Darian Leader. Handen Wat we met ze doen en waarom. De Bezige Bij. 16,99 euro