Wat bedoelde Pim Fortuyn?

Volgens Jos de Mul had Fortuyn het wel degelijk over de Grondwet.

Foto: Michelle Muus

In zijn column van 4 april waarschuwde Maxim Februari tegen nepfeiten. Als voorbeeld noemt hij de bewering dat Pim Fortuyn in een berucht interview in de Volkskrant (9/2/02) zou hebben gezegd dat hij art. 1 van de Grondwet wilde afschaffen. Dat is niet zo, stelt Februari, maar toch wordt dat nepfeit nog steeds herhaald, ook door serieuze filosofen. Daarbij verwees hij naar mijn Rotterdamlezing (2012).

Hebben we hier werkelijk met een nepfeit te maken? In het interview zegt Fortuyn: „Ik ben ook voor afschaffen van dat rare Grondwetsartikel: gij zult niet discrimineren.” Dat kan toch moeilijk anders begrepen worden dan als verwijzing naar art. 1 („Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”) Volgens Februari refereerde Fortuyn niet aan dit grondwetsartikel, maar aan art. 137, Wetboek van Strafrecht, dat belediging en discriminatie verbiedt. Merkwaardig. Laten we de feiten en Februari’s interpretatie eens op een rijtje zetten.

Hij verwijst naar een stuk in De Groene (paar weken voor Fortuyn-interview) waarin werd gepleit voor afschaffing van art. 137 en stelt dat Fortuyn bij die discussie aanknoopte. Dat hij daarbij sprak van een grondwetsartikel, terwijl het dat niet is, was volgens Februari het gevolg van een fout van De Groene, aangezien die art. 137 ten onrechte een grondwetsartikel noemde. Curieus dat Februari de schuld bij De Groene legt en voorbijgaat aan het feit dat ook Fortuyn het verschil tussen Grondwet en strafrecht blijkbaar niet kent en daarmee een nepfeit verkondigt. Bovendien komen in het interview art. 137 en De Groene niet ter sprake. Niet gek dus dat behalve de meeste lezers ook het bestuur van Leefbaar Nederland concludeerde dat Fortuyns uitspraak op artikel 1 van de Grondwet sloeg en hem afzette als lijsttrekker.

Woord als wapen

Ik erken dat een eerdere uitspraak in hetzelfde interview lijkt te pleiten voor Februari’s interpretatie. Op de vraag of hij niet aanzet tot haat tegen buitenlanders, antwoordt Fortuyn, met een kennelijke verwijzing naar artikel 1: „Nee. Ik gebruik het woord als wapen. Ik veroordeel elk geweld. Ik veroordeel elke discriminatie op grond van ras, godsdienst enzovoort.” Maar vervolgens doet hij allerlei discriminerende uitspraken over alle islamitische mannen.

Nu zou men kunnen tegenwerpen dat het non-discriminatie-artikel gaat over de relatie tussen staat en burger en niet over die tussen burgers onderling. Maar wanneer de would be premier zulke discriminerende uitspraken doet, begeeft hij zich op een hellend vlak – waarvan we met Wilders’ belofte „minder Marokkanen” te regelen weer een stukje verder zijn afgegleden.

Waarheidsbevinding

Ik pretendeer niet de waarheid in pacht te hebben, maar afwijkende interpretaties van Fortuyns ambigue uitspraken als nepfeiten wegzetten draagt zeker niet bij aan waarheidsvinding. Nog bonter maakt Februari het als hij mij in de schoenen schuift dat ik in de Rotterdamlezing zou hebben beweerd dat het onvermijdelijk was dat Fortuyn werd vermoord. Daarmee herhaalt hij zelf een door HP/De Tijd en De Telegraaf in de wereld gebracht nepfeit. Dit is wat ik letterlijk zei (in de NRC-publicatie): „Natuurlijk wil ik niet beweren dat het onvermijdelijk was dat Fortuyn fysiek werd vermoord en nog veel minder zou ik die moord willen verdedigen, maar dat het uitroepen van de politieke natuurtoestand onvermijdelijk enige vorm van symbolisch of reëel geweld oproept, ligt hoe dan ook besloten in een dergelijke, de rechtstaat opschortende daad zelf. Het symbolische geweld kwam van Leefbaar Nederland, dat Fortuyn na het interview afzette als leider. De moord in het Mediapark was de barbaarse herbevestiging van de symbolische moord die al had plaatsgevonden.”

Jos de Mul is hoogleraar wijsgerige antropologie (Erasmus Universiteit) en auteur van Paniek in de Polder. Polytiek in tijden van populisme (2017), waarin ook de Rotterdamlezing 2012 staat.