Opinie

Swiebertje ging pas gebukt onder de elite

Het afgeven op ‘elites’ heeft inmiddels zo’n hoge vlucht genomen dat Thierry Baudet van Forum voor Democratie waarschijnlijk dacht: ik moet mij onderscheiden met een andere term. Dat werd ‘kartel’. FvD bindt de strijd aan met ‘het partijkartel’. Het eerste concrete voorstel dat hij deed, na de verkiezingen, was om met eminente persoonlijkheden uit wetenschap, politiek en economie een zakenkabinet te vormen. Een soort superkartel, zeg maar. Want je bent antikartel. (Je weet toch.) Waarom zou de term ‘elite’ zo in zwang zijn? In welke behoefte voorziet hij? Die vermeende tegenstelling tussen ‘gewone mensen’ en de ‘elite’, waar staat die voor? Geniet de elite voorrechten die de elitebestrijders voor zichzelf ambiëren? Willen zij de macht vanwege de bijbehorende privileges of omdat er dringend een misstand moet worden rechtgezet?

Baudet straalt in alles uit dat hij er graag bij wil horen, tot en met zijn onmiddellijke onderwerping aan de Binnenhofse kledingcode. De kans om zijn profiel als iconoclast te markeren met een Mexicaanse poncho of cowboyhoed heeft hij in elk geval niet benut. De conformerende kracht van het ‘kartel’ is legendarisch. In de jaren negentig liep iedereen op het Binnenhof in krijtstreep, de klederdracht der bankiers, inclusief Jan Marijnissen. Die haat voor elites van de rechts-nationalisten laat zich ook moeilijk rijmen met hun nostalgie naar het Nederland van ooit. Toen er geen kartels en elites waren? Baudet deed niet anders dan Trump: met anti-eliteretoriek je plek veroveren en vervolgens het rijkste kabinet uit de geschiedenis samenstellen, inclusief grootindustriëlen.

Alle ‘populisten’ verwijzen naar een voorbije tijd, meestal de tweede helft vorige eeuw, toen zij klein waren en alles nog goed was. Een tijd dat elites niet mínder macht hadden, maar méér. „Kiezers hebben helemaal niets tegen elites, zo lang zij zich maar houden aan de voorwaarden van hun positie”, schreef FT- columnist Janan Ganesh onlangs. „Dat zij hun macht gebruiken voor de verbetering van de positie van gewone mensen. Het probleem ontstaat als elites zich niet meer als elites gedragen, maar hun handen heffen en een beroep doen op overmacht.”

Wat ‘2016’ volgens Ganesh vooral blootlegde is een grote, niet vervulde behoefte aan ‘paternalistisch bestuur’. Heimwee naar een tijd dat elites de wereld bestuurden, maar ook hun verantwoordelijkheid namen. Niet naar de elite van Davos, waar economische grootmachten als Google en Facebook zich voordoen als ex-start-ups van jongelui in T-shirts en sneakers en hun imperiale macht verhullen met termen als ‘netwerk’, en gekozen politici zich bibberend onderwerpen aan de ontembare krachten der globalisering, maar naar de elite van Bretton Woods, die met durf en visie orde schiep in de naoorlogse chaos. Ganesh: „De boze kiezers zien moderne elites als slappe ouders, die decennialang passief toekeken terwijl hun banen weg werden geconcurreerd en sociale veranderingen over elkaar heen tuimelden. Zij willen helemaal geen staatsgreep tegen de elite. Als zij iets willen, is het juist hun herstel. Zij willen de ordelijke wereld uit hun jeugd, toen hun werk en wijk beschermd werden door stevig, centraal bestuur. Zij eisen ‘echte’ elites, die macht gebruiken.”

In een interview biechtte Geert Wilders ooit een heimelijk genoegen op: oude afleveringen van Swiebertje kijken. Op grond van zijn idioom – ‘het zal mij worst zijn, de minister is geen knip voor de neus waard en moet vandaag nog zijn biezen pakken’ – heb ik altijd al zoiets vermoed.

De nieuwrechtse kiezer is een soort Swiebertje: een half-redzame dromer. Hij is een beetje opstandig, maar uiteindelijk wil hij niets liever dan dat Saar, Bromsnor en de Burgemeester het voor hem in orde maken.

Jan Kuitenbrouwer is columnist en directeur van Woorden Die Werken.