Recensie

Pärt klonk zelden zo dwingend

Een strijdvaardig Cappella Amsterdam geeft blijk van zeggingskracht in een onverzettelijke Kanon Pokajanen .

Kamerkoor Cappella Amsterdam

Zingt een koor anders als het zich serieus bedreigd weet in zijn voortbestaan? Die vraag drong zich zondagavond onwillekeurig op in het Muziekgebouw aan ’t IJ, waar Cappella Amsterdam met een selectie uit Arvo Pärts Kanon Pokajanen het slotconcert gaf van het World Minimal Music Festival.

Vorige week dinsdag kreeg Cappella Amsterdam te horen dat het de komende vier jaar niet hoeft te rekenen op een subsidie van het Fonds Podiumkunsten. Dat wees de aanvraag van het gezelschap definitief af, nadat het eerder al een negatief advies had gegeven op basis van (onder meer) een verondersteld ‘gebrek aan zeggingskracht’. In de landelijke pers liet Cappella Amsterdam weten de toekomst desondanks strijdvaardig tegemoet te zien.

Onverzettelijk

In een uitverkochte Grote Zaal leek die vastberadenheid af te stralen op Pärts in het Kerkslavisch gezongen magnum opus. Sinds de internationaal bejubelde cd-opname die het koor vorig jaar van de boetezangen maakte, heeft het werk vaker op de Amsterdamse lessenaars gestaan. Pärts noten klonken echter zelden zo dwingend.

In de aanheffen van de eerste ‘Odes’ welde een onverzettelijke koorklank op, waarin granieten bastimbres een onwrikbaar fundament vormden voor een felle glans in de sopranen. Het slotdeel kende een huiveringwekkende climax, met scherpgerande altstemmen die als doornen door de zondige ziel sneden.

Peilloze diepte

In de tussengelegen passages reeg Kanon Pokajanen zich aaneen tot een gebedssnoer van steeds terugkerende modale motieven en gereciteerde frases. Onder dirigent Daniël Reuss gaf Cappella Amsterdam elke passage een eigen kleur. Hier riep een bas uit de peilloze diepte, daar hieven de sopranen een deemoedige smeekbede aan. Een tenor en een bas lieten hun wonderlijke mengklanken stralen als een aureool op een Christus-icoon.

Kippenvel: het tergend langgerekte crescendo in de derde ‘Ode’. Hoezo heeft dit koor geen zeggingskracht?