Column

Lieve man

We kenden elkaar omdat hij een paar huizen verderop woont. In een benedenhuis waar het licht ook ’s nachts altijd aan is. Als ik hem trof in het café-restaurant tegenover het winkelcentrum zwaaiden we. Hij gaat er vaak met zichzelf uit eten.

Altijd de daghap. Op woensdag schnitzel met toebehoren voor tien euro, op maandag nasi.

Tafeltje in de verste hoek, gezicht naar de muur, rug naar de samenleving. Biertje of drie, vier, vijf, zes, zeven erbij.

Hele gesprekken voerde hij dan, waarbij hij vaak in herhaling viel.

„Lieve schat, zo is het helemaal niet gegaan…”

En: „Echt niet, geloof me nou…”

Soms zei hij dat even naar de toilet moest, waarvoor hij zich dan hardop verexcuseerde.

„Ik moet weer even. Sorry.”

Dan stond hij op.

Als onze blikken elkaar kruisten, zwaaiden we.

Eerst dacht ik dat hij gewoon geschift was, of overspannen, daarvan wonen er wel meer in deze buurt, maar sinds vrijdag weet ik dat het eenzaamheid is.

De dochter (1) had de mond-voet-hand-ziekte, weer zo’n aandoening waar ik totdat ik vader werd nog nooit van had gehoord. Het was niet ernstig behalve dan dat ze wat meer gewond in het leven stond dan normaal.

Ik haalde haar op bij de kinderopvang.

Op de schouders naar huis.

Bij de kapot getrapte vuilcontainer kwamen we hem tegen.

Hij vroeg: „Bloed ik nog uit mijn hoofd?”

Ik zag wel een lelijke kras, maar geen bloed.

„Gelukkig”, zei hij, „want ik ga weer uit eten”.

Hij verlegde de aandacht naar de dochter op mijn schouders . „Hallo!”, zei hij met veel volume. „Ik heb mijn hoofd gestoten! Uitgegleden na het douchen.” De dochter zei niets en keek hem alleen maar aan.

Zelf had hij ook een dochter, ze was met haar moeder verdwenen toen ze negen was. Hij had haar nooit meer gezien.

„Dat is nu twintig jaar geleden, ik zou d’r niet meer herkennen op straat. Soms denk ik wel eens: ‘zou dat d’r zijn?’, maar dan is het altijd een andere vrouw.”

De dochter liet haar konijntje vallen.

Hij bukte, raapte het op en zei dat we maar het best van elkaar konden genieten omdat geluk ook zomaar over kon gaan.

Hij ging uit eten.

Hij dacht dat ze spaghetti hadden op vrijdags, maar zeker weten deed hij dat niet.

We keken hem na, ik geloof dat we hem alletwee een lieve man vonden.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.