Er zijn vele (dure) wegen die naar duurzaamheid leiden

Energietransitie

De overgang naar duurzamere energie gaat tijd én veel geld kosten. Maar hoe, daar verschillen de plannen flink over.

Foto ANP

Terwijl in Den Haag wordt geknutseld aan een nieuw kabinet, buitelen de onderzoeken naar de energietransitie, een van de grote thema’s in de onderhandelingen, over elkaar heen. Ze spiegelen de politici allemaal een andere werkelijkheid voor, maar de boodschap is steeds dezelfde: er is veel werk te doen, de maatschappelijke gevolgen zijn groot, net als de kosten.

Maandag publiceerden zowel het onafhankelijke onderzoeksbureau Quintel als de VEMW, belangenbehartiger van zakelijke energieverbruikers, scenario’s over de gevolgen van de verduurzaming voor de (zware) industrie. Vorige week becijferden het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) de kosten voor Nederland als geheel.

Het rapport is vooral een inventarisatie van de mogelijkheden. Het is aan de overheid om te bepalen hoe ambitieus de doelstellingen zijn: willen we in 2030 een reductie van broeikasgassen met 43 procent (kosten 1,6 miljard euro per jaar) of met 49 procent (een relatief geringe extra reductie voor 5,5 miljard euro per jaar)?

Vooral in de industrie kan volgens PBL en ECN tegen relatief lage kosten veel worden bereikt. In het verkeer is het beeld wisselend, zo is een kilometerheffing bijvoorbeeld heel duur afgezet tegen behaalde klimaatwinst. Aanpassingen aan woningen zijn bijna allemaal relatief duur.

Klimaatakkoord

Het onderzoek van de VEMW, uitgevoerd door McKinsey, richt zich op 2050, het jaar waarin volgens het klimaatakkoord van Parijs de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd met 80 tot 95 procent gereduceerd moet zijn. Dat is haalbaar stelt de VEMW en kost ongeveer 12 miljard euro aan extra investeringen, waarvan het grootste deel vanaf 2025. Daarnaast is voor de hele periode nog eens 3 tot 5 miljard euro per jaar nodig aan operationele kosten.

De overheid zou een deel moeten betalen, vindt het VEMW. Volgens directeur Hans Grünfeld is „actieve betrokkenheid en faciliterend beleid van de overheid” nodig. Energietransitie en industrietransitie moeten hand in hand gaan, aldus Grünfeld.

Vorige week heeft de energie-intensieve industrie zich neergelegd bij een (vrijwillige) extra energiebesparing van 9 petajoule (PJ) in 2020 (ongeveer de hoeveelheid energie van 135.000 huishoudens), zoals al was afgesproken in het Energieakkoord uit 2013. Demissionair minister van Economische Zaken Henk Kamp (VVD) noemde dat in een brief aan de Tweede Kamer „een belangrijke stap in de energietransitie”.

Volgens onderzoeksbureau Quintel zijn het echter niet meer dan bescheiden stapjes. Hun rapport, De toekomst van de Nederlandse Energie-intensieve Industrie, gaat uit van een energiebesparing van maar liefst 700 PJ – tientallen keren meer dan nu is afgesproken. Quintel ziet bovendien grote ongerijmdheden in de verschillende scenario’s van de industrie.

Een voorbeeld: kabinetsbeleid dat elektrisch rijden stimuleert zal ertoe leiden dat minder en uiteindelijk zelfs helemaal geen benzine en diesel meer nodig zijn. Als de scheepvaart bovendien onder internationale druk duurzamer moet worden, en schepen daardoor vaker gebruik gaan maken van vloeibaar gas (LNG), kan ook de markt voor stookolie instorten.

Het is daardoor onontkoombaar dat olieraffinaderijen minder werk zullen hebben. Maar een bedrijf als Shell verwacht in zijn meerjarenraming helemaal niet dat de omzet zal dalen. „Als het aan mij ligt, zitten we hier nog minstens vijftig jaar”, zei Jos van Winsen, directeur van de Shell-raffinaderij in Pernis vorige maand nog tegen NRC . Iets klopt er niet, aldus de onderzoekers.

Terecht vragen

Grünfeld van de VEMW vindt de vragen die Quintel met het rapport opwerpt terecht. Maar niemand kan volgens hem voorspellen hoe de toekomst eruit gaat zien. „De aanname dat het vervoer elektrificeert is ook maar een aanname. We weten het niet.” Grünfeld erkent wel dat de VEMW in het onderzoek uitgaat van de bestaande situatie.

Het rapport van Quintel, waarvoor de auteurs samenwerkten met onder meer Shell, de GasUnie, verschillende netbeheerders, universiteiten en het ministerie van Economische Zaken, is nuttige lectuur voor de onderhandelaars in de kabinetsformatie. Niet de technische uitvoerbaarheid van de ideeën is het probleem, maar de economische haalbaarheid. De ‘externe kosten op het gebied van milieu-impact, zoals het verbruik van grondstoffen en energie en de CO2-uitstoot, [worden] niet of onvoldoende meegenomen in de kosten van een productieketen’, aldus het rapport.

De sleutel voor de verandering ligt volgens de onderzoekers in het belastingsysteem. Daarmee kunnen productieketens worden gestuurd in de richting van een duurzamere consumptie en productie. Genoeg stof tot nadenken voor de politici in Den Haag.