5 vragen over Bachs ‘Matthäus Passion’

C. Engelbrechtsz (1510) Collectie Rijksmuseum A'dam

1. Jaarlijks naar de Matthäus, waarom doen we dat eigenlijk?

De Matthäus-Passion, het grootste passieoratorium van Johann Sebastian Bach (1685-1750), wordt jaarlijks in aanloop naar Pasen honderden keren in Nederland uitgevoerd. Bach – zelf Lutheraan – schreef de Matthäus in 1727. Hij voerde het uit op Goede Vrijdag in de Thomaskirche in Leipzig, waar hij kapelmeester was. Na zijn dood raakte de Matthäus in vergetelheid, tot Mendelssohn in 1829 een revival in gang zettte. De Matthäus-traditie in Nederland begon bij Willem Mengelberg. In 1899 dirigeerde hij zijn eerste Matthäus met het Concertgebouw Orkest en het Amsterdamse Toonkunstkoor. Tot 1945 ging er maar één jaar voorbij zonder ‘Mengelberg-Matthäus’. De Mengelberg-traditie kwam overigens niet uit de lucht vallen: al in 1874 zong het Toonkunstkoor haar eerste Matthäus onder Johannes Verhulst, die als leerling van Felix Mendelssohn in directe lijn stond met diens herontdekking van de passiemuziek. De Nederlandse Bachvereniging was sinds de oprichting in 1922 de tegenhanger van de romantische Mengelberg-stijl. Hun traditionele uitvoeringen in de Grote Kerk van Naarden groeiden uit tot society-evenementen, op Goede Vrijdag – ook aanstaande vrijdag - jaarlijks bijgewoond door leden van het kabinet.

2. Hoezo, ‘passie’?

Als term roept ‘passie’ verwarring op door de woordverwantschap met Pasen en “passie” in brede zin. Maar in de muziekgeschiedenis is een passie een werk over het lijden van Jezus Christus, die op Goede Vrijdag in Golgotha werd gekruisigd. Passies worden uitgevoerd in de Lijdenstijd - de veertig dagen van inkeer voor Pasen, dat Christus’ wederopstanding viert. Is het eenmaal Pasen, dan zijn er geen uitvoeringen van de Matthäus en de Johannes-Passion meer. Voor Pasen schreef (of hergebruikte) Bach Paas-cantates, die veel uitbundiger van karakter zijn.

3. Hoe zit de Matthäus-Passion in elkaar?

Bachs passieoratoria naar de evangeliën van Matthäus en Johannes staan in een veel oudere traditie om het Lijdensverhaal op muziek te zetten of na te spelen. De lengte, dramatiek, originaliteit en monumentaliteit van Bachs passies was in de Lutherse kerk zonder precedent, al hadden componisten als Kaiser, Telemann en Händel reeds bescheidener passies geschreven op tekst van Barthold Heinrich Brockes.

De tekst van Bachs Matthäus heeft drie basisbestanddelen; teksten uit de hoofdstukken 26 en 27 van het evangelie volgens Matheus, door Bachs vriend Picander geschreven teksten en Lutherse kerkliederen: de koralen. De tekst en melodieën daarvan zijn niet van Bach zelf, de inkleuring wel.

De evangelist (tenor, hoge mannenstem) vertelt het verhaal, sober begeleid door basso continuo (orgel en cello). Daarnaast zijn er enkele personages, waaronder Jezus. Twee koren worden in de actie betrokken: die nemen de rollen van o.a. discipelen en hogepriesters aan (het “betrouwbare”, “hogere” koor 1) of die van het zondige, aardse volk dat vragen stelt en Jezus wil kruisigen, (koor 2).

In de recitatieven en aria’s van solisten wordt de handeling stilgezet. Het recitatief (soms ‘arioso’ genoemd) slaat een brug tussen de actie van het Bijbelverhaal en de beschouwende rol van de aria, waarin de gemoedstoestand van de betrokken toeschouwer (ofwel: de kerkganger) uitdrukking krijgt.

4. Hoe moet de Matthäus-Passion nou ‘echt’ klinken?

Uitvoeringen van Bachs passies zijn er in alle soorten en maten. De praktijk is voortdurend in ontwikkeling. Willem Mengelberg voerde met het Concertgebouworkest de (gecoupeerde) Matthäus heel langzaam uit met megakoren. In de jaren zeventig raakte, met Nederland als pioniersland, de ‘authentieke uitvoeringspraktijk’ in de mode dankzij o.a. Nikolaus Harnoncourt en Gustav Leonhardt. Die mode domineert nog steeds: barokgezelschappen spelen op oude instrumenten in lagere stemming en met darmsnaren voor de strijkinstrumenten, zonder vibrato, in vaak vlotte tempi en barokke frasering. De koren werden steeds kleiner. Radicaal en omstreden is de opvatting van onder meer Joshua Rifkin dat slechts één stem per koorpartij mag klinken, oftewel een vierstemmig koor. Jos van Veldhoven experimenteerde bij de Nederlandse Bachvereniging met asymmetrische kooropstellingen in de Matthäus, waarbij in het kleinste koor de solisten tevens koorzangers (ripiënisten) zijn. Vrouwen mochten in de kerk niet zingen. Soms worden alt- en sopraanaria’s dus door knapen gezongen, maar men kiest tegenwoordig liever voor volwassen vrouwen of countertenors.

5. Wat zijn de hoogtepunten?

Je kunt zeggen: de Matthäus Passion, met een gemiddelde duur van twee uur en drie kwartier, kent geen hoogtepunten. Of liever: alleen maar. Van het openingskoor met de dansant slepende gang van Jezus met het slepende kruis tot de emotionele intensiteit van de altaria Erbarme dich, begeleid door solo-viool of het kaatsende koorfragment Sind Blitze, Sind Donner: iedereen heeft zijn eigen favoriete aria of koordeel.