Column

Wij hebben geen migratiebeleid

Humanitaire organisaties visten woensdag 700 mensen uit zeven overvolle rubberbootjes voor de Libische kust. Smokkelaars hadden de opvarenden satelliettelefoons gegeven en verteld op welk moment ze in internationale wateren zouden zijn en ngo’s konden bellen. De ngo’s zouden hen veilig naar Italië brengen. Zo geschiedde.

Sommige Europese politici en bestuurders gaan nu tekeer tegen de ngo’s. Die zouden smokkelaars helpen en illegale immigratie stimuleren. „Die ngo-waanzin moet stoppen,” tierde de Oostenrijkse minister Sebastian Kurz. Volgens de baas van grensagentschap Frontex moedigen schepen van ngo’s als Artsen zonder Grenzen „smokkelaars aan om meer migranten op onzeewaardige bootjes te persen”. Er bestaat al een term voor: crimes of solidarity. Extremistische sites gaan er dankbaar mee aan de haal.

Voor dit politiek explodeert, moeten we eens naar Australië kijken. Daar werden een paar jaar geleden duizenden mensen uit Iran, Sri Lanka en Pakistan op Indonesische bootjes naartoe gesmokkeld. Ook dat ging op industriële schaal. In Iran kon je in 2013 voor 8000 dollar twee overtochten kopen: als de eerste mislukte, kon je nog een keer. Velen verdronken. Australië stopte de nieuwkomers – een mix van vluchtelingen en migranten, net als de Libiëgangers – in detentiecentra. Dat haalde niets uit. Ze hadden hun bestemming immers bereikt: Australië. Toen de regering in Canberra dit begreep, werden met groot machtsvertoon alle smokkelboten naar eilandjes als Nauru en Manus gebracht – buiten Australië. Veel migranten zijn teruggestuurd. Anderen kunnen niet terug en zitten er nog (zo’n 1200). Er zijn echte vluchtelingen bij, en minderjarigen. Sommigen worden gek wegens gebrek aan perspectief en doen zelfmoordpogingen. De mensensmokkel is gestopt. Teruggestuurde bootvluchtelingen eisen hun geld van smokkelaars terug. Maar juridisch en humanitair is het een schande. Monetair ook: jaarlijks kost dit systeem 1 miljard dollar.

Europa kan de smokkel op zee zo niet stoppen. Libië is een land in oorlog. Daarbij is het voor ons moeilijker om de buitengrenzen te vergrendelen.

Maar er is nog een verschil. Australië is een immigratieland. Altijd geweest. Driekwart van de bevolking noemt migratie positief. Australië heeft twee legale kanalen: één voor vluchtelingen, één voor migranten. Jaarlijks arriveren er 190.000 economische migranten. Mensen kunnen vele soorten visa aanvragen. Vluchtelingen komen via resettlement. Ze zitten in kampen, wereldwijd, en vragen daar asiel aan. Australische beambtes komen de selectie maken. Zo werken de VS en Canada ook. Diegenen die worden toegelaten (dit jaar 13.750, plus 12.000 Syriërs en Irakezen), worden warm onthaald. Burgercomités zorgen voor huisvesting, taalles, inburgering. Iedereen weet: wij willen deze mensen, we hebben ze zelf geselecteerd.

„Ik heb medelijden met Europa,” zegt Jiyoung Song van het Lowy Institute in Sydney (zelf een migrant, uit Zuid-Korea). Door bootvluchtelingen te weren, geeft Australië het signaal: gebruik bestaande, legale kanalen. Dat werkt. Europa heeft die kanalen niet. Resettlement functioneert amper, arbeidsmigratie is grotendeels taboe. Het enige wat veel vluchtelingen en migranten kunnen doen, is illegaal komen. Per boot. Smokkel floreert omdat we geen asiel- en migratiebeleid hebben, zo simpel is het. Dit maakt Europese burgers bang: wie managet migratie eigenlijk? Niet onze politici.

Als dit politiek escaleert, hebben we maar één instrument: repressie. Erger dan in Australië. Dat politici ngo’s de schuld geven van hun eigen politieke falen, is grotesk.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa