Recensie

Levenslessen en Levantijnse accenten aan de Rotte

Ik ben de tel kwijtgeraakt, want ze blijven langskomen: een vier met stuurman, een acht met stuurvrouw, de einzelgänger die in zijn eentje de Rotte oproeit. Ze komen van studentenroeivereniging Skadi die haar honk heeft aan het Noorderkanaal. Je kunt ze nakijken tot ver in de bocht die de Rotte hier maakt en als het later op de avond donker is geworden, zie je vanuit diezelfde bocht eerst de boordlichten verschijnen en daarna de roeiers in hun boten voordat ze onder het spoorwegviaduct verdwijnen.

Tot zover het uitzicht vanuit Rebelz aan de Rotte, het restaurant dat zich een jaar geleden vestigde in wat ooit een limonadefabriek was en later het onderkomen van de woonwinkel Kunst & Kitsch. Ik zou nog kunnen uitweiden over de eenden die in paartjes over het water scheren, de hardlopers, de fietsers, de hondenuitlaters die op de kade van de mooie avond genieten en het waanzinnige licht dat over Hillegersberg strijkt, maar we zijn hier om te werken, dus aan de slag.

Rebelz aan de Rotte is niet zomaar een restaurant, het is een zaak met een missie. Initiatiefnemers Karin Nijman en Klaasjan Krook scholen hier ex-gedetineerde vrouwen om tot kok of gastvrouw – een sympathiek project waarbij de detectiepoort bij de ingang van de zaal als ironisch knipoogje dienstdoet.

Het interieur van Rebelz is al even opmerkelijk: kunstenaars Arno Coenen en Iris Roskam (van Markthal-faam) hebben op de wanden een levenspad uitgebeeld waarvan de pijlen niet altijd de rechte weg wijzen. Het is de kunst het juiste pad te volgen en de valkuilen te negeren.

Bij dit alles zou je bijna vergeten dat het in een restaurant om het eten gaat, maar ook van dit ‘detail’ hebben Nijman en Krook zich niet gemakkelijk afgemaakt. De keuken wordt bestierd door de van oorsprong Syrische chef Maher Al Sabbagh wat resulteert in een kaart met mediterrane gerechten met Levantijnse accenten. Tegen de achtergrond van het werk van Coenen en Roskam staan de met linnen gedekte tafels strak in het gelid; wij gaan lekker bij het raam zitten.

De kaart wordt ons overhandigd in een akte-envelop. Je kiest twee (29,50 euro), drie (32,50) of vier gangen (39,50) en hebt dan de keuze uit drie voor-, drie hoofd- en drie nagerechten. Bij het viergangenmenu neem je nog een tussengerecht of kaas. Zeer overzichtelijk dus, net als het wijnarrangement dat voorziet in drie (19,50) of vier glazen (24,50). Ben je de bob, dan krijg je halve glazen (3,50).

We weten het snel: eenmaal plateau Levant, eenmaal kibbeh (lamsgehakt in een jasje van bulgurdeeg), eenmaal kalfsschenkel en eenmaal gegrilde zeebaars – daarna zien we wel verder. Bij het eerste glas wijn wordt een lieve amuse van rode biet en lamsham geserveerd.

Dan komt het Levantijns plateau op tafel, een schaal vol verschillende hapjes waaronder Libanees platbrood, hummus, olijven, linzensoep, zalm, lamsham, worst en salade van tomaat en komkommer. Samen met de kibbeh, drie stuks, eigenlijk ruim voldoende voor twee personen. De smaken zijn fris en in de Syrische keuken houden ze ook van smeersels die het goed doen op het pannenkoekachtige brood. Heerlijk om hier te zitten en te kijken hoe vier Skadimeisjes hun boot onder het treinviaduct manoeuvreren.

De hoofdgerechten zijn evenmin karig uitgevallen. Mijn zeebaars komt met twee gamba’s, ieder op een krokant koekje en met polenta en een garnituur van to¬maat, knof¬look en ui¬. Van de gekonfijte citroenboter proef ik niet veel terug. Mijn vrouw koos de kalfsschenkel, een flink stuk bot met merg en veel vlees met een quiche van wortel en kaneel en couscous. Lekker, luidt haar commentaar, maar net als ik krijgt ze niet alles op. Want we doen ook nog een dessert: een citroentaartje („Dat was vroeger nóg groter”, zegt de serveerster) en hangop met fruit.

is culinair recensent.