‘In de kroeg is het nog altijd: soort zoekt soort’

Cafés in West

Maar weinig cafés trekken Amsterdammers met verschillende sociale en culturele achtergronden. „Het is goed te beseffen om welke redenen je een café binnenstapt.”

De Amerikaans aandoende inrichting van de BuonGiorno Espressobar. Foto Roger Cremers

Tien uur donderdagochtend, en het is al vrij druk bij Bar Spek op de Admiraal de Ruijterweg in Amsterdam-West. Twee vrouwen met designercoltruien drinken verse gemberthee aan een wit, marmeren tafeltje. Op een houten bank tegen de grof gestuukte muur zitten dertigers op laptops te werken, eveneens met gemberthee of koffie verkeerd. Aan de muur hangen industriële lampen, het meisje uit de bediening spreekt de ‘r’ uit als ‘eur’. Kraanwater komt met een lichte grapefruit-smaak. Acht van de dertien gasten zijn blond.

Binnen een straal van duizend meter zijn nog een stuk of tien cafés en restaurants als deze te vinden: het interieur is AirSpace – Scandinavisch meets industrieel – en de meeste gasten zijn onder de veertig en dragen kleding uit modeblaadjes. Net zoals er binnen die straal ook genoeg cafés en eetplekjes zijn waar juist geen enkele millennial te vinden is. In die cafés zitten de ras-Amsterdammers of Amsterdammers met meer diverse culturele en sociale achtergronden. In een stad met een diverse bevolkingsgroepen lijken wel onbesproken codes te bestaan wie waar mag komen. Maar waarom is dat eigenlijk? En: is het erg?

Soort zoekt soort

„Soort zoekt soort is de algemene psychologische verklaring”, zegt Paul van Lange, hoogleraar sociale psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. „Mensen zoeken vanuit zichzelf hun eigen categorie op omdat dit vertrouwd voelt. Ze zoeken soortgenoten met dezelfde cultuur, leeftijd, sekse en sociale klasse.”

De maatschappij is op dit ‘soort-zoekt-soort-gegeven’ ingericht, legt Van Lange uit. De omgeving geeft een mens constant signalen of iemand op zijn of haar plek is. „De meeste cafés maken hier expliciet gebruik van. Het is een manier om publiek te trekken. Als in een café kleedjes op tafel liggen, zullen sommige mensen denken: hier moet ik zijn, gezellig. Anderen zullen juist doorlopen. Zo’n kenmerk kan ook het type muziek zijn, of het volume daarvan. In een split second weten mensen of ze zich ergens op hun gemak voelen.”

Ben (55) is een ras-Amsterdammer en hij voelt zich op zijn gemak in café Frienz, waar hij elke middag een biertje drinkt. Aan de muur hangt een afbeelding van André Hazes, tegen de muur staat een gokautomaat. Soms is er salsales. Ben: „Deze plek heeft aantrekkingskracht op ons omdat er gemengd volk is.” ‘Ons’, dat zijn de mensen om hem heen; een groep Surinaamse, Marokkaanse en witte Amsterdammers. Ze voelen zich op hun gemak bij elkaar ondanks culturele verschillen. En ze hebben één ding gemeen: ze gaan nooit naar café Bar Baarsch aan de overkant. Want „daar zitten alleen maar yuppen. Dat zie je zo. Veel te duur ook.”

„Deze plek heeft aantrekkingskracht op ons omdat er gemengd volk is.”

Student Daniëlle (23), die met haar vriend wél aan de overkant zit, komt er juist vanwege de gin-tonics die op donderdagavond „maar vijf euro kosten.” Ze woont om de hoek en komt hier ook graag omdat het altijd druk is en haar vrienden hier komen. En ze vindt het interieur – betonnen vloer; houten tafeltjes – „echt heel mooi”.

Een van de weinige uitzonderingen op de gesegregeerde regel in Amsterdam-West is koffieketen BuonGiorno Espressobar die vijf vestigingen heeft in het stadsdeel. Hier komen met mensen met allerlei sociale en culturele achtergronden: dertigers met snorren en sneakers, veertigers in chique blouses. Jonge vrouwen met hoofddoekjes; oudere mannen die de krant lezen met een pakje shag op tafel. Gasten bestellen er koffie, dikke, romige taartpunten en broodjes die naar voetballers zijn vernoemd. Het interieur heeft iets Amerikaans, met haar gele leren bankjes, echte fauteuils en een kinderspeel- en leeshoek. De bediening spreekt onderling Engels.

Hoe komt het dat een plek als Buon Giorno wel een divers publiek trekt? Van Lange: „Daar maken ze minder gebruik van expliciete kenmerken. Plekken waar meerdere mensen zich thuis voelen, hebben vaak een categorie-overstijgend interieur, café-eigenaar of bediening.”

Marije (43) en Vivianne (37) die graag zwarte koffie bij BuonGiorno drinken, beamen dat. „Het interieur is warm voor verschillende gasten.” Al komen ze voor een wijntje net zo graag aan de overkant, bij Café Treffers waar gepoold kan worden. Bij Bar Spek zijn ze nog nooit geweest. „In tenten met een hip interieur vinden we de sfeer koud.”

Nieuw patroon van afzondering

Volgens socioloog Maurice Crul, tevens van de VU, is er nog een verklaring voor de versnippering van het horecapubliek. „Overal zie je dezelfde tendens: witte Nederlanders scheiden zich af. Dit fenomeen zie je op verschillende terreinen: schoolkeuze, huisvesting, het culturele aanbod. Horecagelegenheden zijn hier geen uitzondering op.” Volgens de hoogleraar Diversiteit en Onderwijs hebben de begrippen integratie en segregatie een nieuwe betekenis gekregen. Vroeger ging het over de Turkse Amsterdammers die maar bij elkaar zaten in hun theehuis, of over de Marokkaanse Amsterdammers in hun moskee. Nu is er een nieuw patroon: de witte Nederlanders zonderen zich af.

Dat gebeurt in alle vier de grote steden, zegt Crul. In de nieuwe bevolkingssamenstelling zijn witte Nederlanders namelijk ook een minderheidsgroep. „In Amsterdam is iets minder dan de helft van oorspronkelijk Nederlandse afkomst.” Dat er toch veel cafés zijn waar vooral witte, hoogopgeleide Amsterdammers verkeren, komt volgens hem doordat deze groep kapitaalkrachtig is. „Daarom is er voor hen een rijk cultureel en culinair aanbod. Een horecatent kan zich nog steeds alleen op deze groep richten. Al wordt dat bijvoorbeeld wat verderop, in Nieuw-West, al wat lastiger.”

Vertekend beeld

Of deze nieuwe vorm van segregatie erg is, is een normatieve vraag, zeggen Crul en Van Lange. Maar in het onderwijs, waar in Amsterdam momenteel dezelfde beweging te zien is, is het een slechte ontwikkeling, zegt Crul. „Pas als kinderen naar een universiteit, hbo of mbo gaan, komen ze in aanraking met andere culturen.”

Mensen zijn zich vaak niet bewust hoe sterk ze naar hun eigen categorieën neigen, denkt psycholoog Van Lange. „Als je studenten vraagt hoe hoog het percentage is van Nederlanders die ’s avonds pizza eten, zullen ze op basis van hun eigen ervaringen waarschijnlijk zeggen: 60 procent. Mensen hebben een vertekend beeld van de maatschappij. Ze overschatten systematisch hun eigen voorkeuren. Het is goed te beseffen om welke redenen je een café binnenstapt.”

Roos (27), die een cappuccino drinkt bij Bar Spek, vindt dat ze wel iets vaker naar een onbekend café kan gaan, maar: „Ik kies vaak toch voor een plek met mensen zoals ik.” Moestafah (38) en Eddy (45) op het Mercatorplein laten hun keuze van iets anders afhangen: het bier. „Wij zitten hier omdat ze Heineken hebben. En daar” – hij wijst naar Bar Frits op de hoek waar vele speciaalbiertjes op de kaart staan – „niet.”