Commentaar

De panda, China en wij

De panda’s komen! Woensdagavond op Schiphol. Dat zal een publicitair brandpunt worden. Bijna iedereen vindt panda’s leuk, er zijn grote geldbedragen mee gemoeid (Ouwehands Dierenpark betaalt China een jaarhuur van 1 miljoen dollar) en de komst is een prestigekwestie: de twee panda’s zijn een diplomatieke gunst van Peking aan Nederland. We tellen weer mee, in de wereld.

De panda’s zelf zijn vooral bezig met bamboe, twaalf à veertig kilo per dag, dat ze ook nog eens verrassend slecht verteren. Voor het publiek worden ze pas na hun quarantaine zichtbaar, over een paar weken of nog later.

In deze NRC Wetenschap Pandaspecial, de eerste in de journalistieke geschiedenis van NRC en Handelsblad, biedt de wetenschapsredactie haar lezers alvast de noodzakelijke achtergrond bij dit spektakel. Over de vreemde biologische positie van een vleeseter die een fanatieke vegetariër werd. En over hoe bedreigd deze dieren eigenlijk zijn in het wild. We bekijken verder waarom juist ménsen dit dier zo schattig vinden. En ook of het wel verantwoord is om een panda op te sluiten in een dierentuin. En we wilden weten: hoe gaan de Chinezen met hun ándere dieren om? Ook wordt een hardnekkige mythe over het begin van de panda-diplomatie om zeep geholpen: de Tang-keizerin Wu Zetian gaf 1400 jaar geleden géén panda’s aan Japan.

En achterop, op de Kleine Wetenschap, een moderne panda-schoolplaat. Voor aan de muur. Want die panda’s gaan voorlopig niet meer weg.