Recensie

Twee tegengestelde visies op de Matthäus hebben charme

Klassiek De Matthäus-Passion kan op vele manieren. Twee verschillende visies op Bachs meesterwerk hebben hun charmes en hun zwaktes. Beide overtuigen niet volledig.

Dirigent Ton Koopman

Het leuke (of frustrerende) van de Matthäus-Passion is dat niemand weet hoe je dat meesterwerk eigenlijk moet uitvoeren. Over de vierhonderd koorzangers die Willem Mengelberg een eeuw geleden inzette zijn de geleerden het eens – passé. Maar ook binnen de historische uitvoeringspraktijk lopen de visies flink uiteen. De visies van coryfee Ton Koopman (1944) en tweedegeneratie-authenticus Václav Luks (1970) bleken zelfs tegenpolen.

De Tsjech Luks maakte zijn dirigeerdebuut bij de Nederlandse Bachvereniging met kleine koren (twee keer acht zangers) en een buitengewoon expressief betoog. Van het slepende openingskoor tot de gewichtige rusten was er geen ontsnappen aan.

In positieve zin vielen de vonkende sopraan-en-alt-aria op, met etherische solo’s en spetterend felle tussenwerpsels van het koor, en het verstilde koraal ‘Wenn ich einmal soll scheiden’.

Maar de fluctuerende tempi, de onrustig ademende dynamiek en Luks’ neiging om ieder nootje afzonderlijk te willen boetseren bewerkstelligden ook een averechts effect. Is Bachs muziek niet sterker als ze wat koeler wordt opgediend? Het voordeel van Luks’ aanpak was dat de (sterke) solisten ook koorzangers waren en dus meer opgenomen in het geheel. Nadeel: de solistische bijdragen werden overdadig door Luks gekneed. Luks’ troef was Eric Stokloßa als Evangelist, soms bijna sprekend, en zingend met een rauw randje en ongebruikelijk vibrato.

Welke passies zijn er nog te beluisteren?: Bekijk het overzicht op de NRC Passiekaart

Dan Ton Koopman, die zijn eigen Amsterdam Baroque Orchestra & Choir leidde vanachter het orgel. Hij hield de vaart erin en legde gevoel voor understatement aan de dag – waar Luks de sopraanaria ‘Aus Liebe’ bijkans doodkneedde dirigeerde Koopman dat stukje kamermuziek niet eens. Bij hem geen langgerekt, lijzig ‘Barrabam!’ zoals bij Luks, maar een zakelijk, half ingeslikt vonnis van het koor – evenmin overtuigend.

De Tsjech Luks maakte zijn dirigeerdebuut bij de Nederlandse Bachvereniging.

Dat koor was evenwel Koopmans troef. Het zong met superieure precisie en klankhomogeniteit, zodat het ragfijne stemmenspel in de menigtes ‘Blitze & Donner’ en ‘Lass ihn kreuzigen’ transparant te volgen was. Erg subtiel was de manier waarop het slotakkoord van het laatste ‘gute Nacht’ aan het slot werd uitgelicht.

Koopman koos voor een minimale solistenbezetting, waarbij de uitstekende evangelist Tilman Lichdi ook de tenoraria’s voor zijn rekening nam. Countertenor Maarten Engeltjes blonk uit in de naturel gebrachte alt-aria’s. De klassieke Bach-bas Klaus Mertens liet zijn aria’s volmaakt eenvoudig klinken.

Beide visies hebben hun charmes, maar ook hun zwaktes. Opvallend genoeg was het hoogtepunt tweemaal hetzelfde: de ziedende gamba van Mieneke van der Velden in ‘Komm, süßes Kreuz’ – bij Koopman in een onaangekondigde cameo.