Opinie

Trump lijkt op Nixon

We blijven worstelen met Trump. Wat zegt hij? Wat bedoelt hij? Hoe kijkt hij erbij? Deze week zagen we hem bijna volschieten toen hij het over de vermoorde kindertjes in Syrië had, „innocent children, innocent babies, little babies”.

Er waren nu een heleboel lijnen overschreden, zei hij, hij ging er wat aan doen. Wat precies? Hij wilde toch niet ingrijpen om aan te tonen dat hij zoveel daadkrachtiger was dan Obama? Ik moest denken aan een citaat van Henry Kissinger over president Richard Nixon: „Soms had ik de indruk dat hij crisis uitlokte en dat hij een normale status-quo niet kon verdragen.”

Ik kwam dit citaat tegen in een recensie van Jennifer Senior in The New York Times. Ze behandelde een nieuwe biografie van Nixon, Richard Nixon – The Life, geschreven door John A. Farrell. Ook al gaat het boek niet over Trump, de recensent zag overal overeenkomsten tussen Trump en de tot aftreden gedwongen Nixon opduiken, „ze sprongen als krekels van de pagina’s”.

Ze begint met hun weinig presidentiële uiterlijk: het rare haar van Trump en de lage wangen van Nixon. Andere overeenkomsten lijken mij belangrijker. Bij beiden kun je spreken van een oudtestamentische woede over de nieuwsmedia. „De pers is de vijand”, heeft Nixon gezegd, „schrijf dat honderdmaal op het bord en vergeet het nooit”.

Bij beiden valt de lichtgeraaktheid op, ze hebben een olifantengeheugen voor neerbuigende opmerkingen over hen. Senior spreekt van „politieke hemofilie” (bloederziekte): „Eenmaal gewond blijven deze mannen bloeden.” Beiden hebben paranoïde trekken, ze beweren dat hun gesprekken door hun voorgangers zijn afgeluisterd.

Net als Trump had Nixon de neiging tumult te veroorzaken en naar wraak te streven, vooral in de vroege ochtend met telefoontjes (Trump met tweets). Republikeinse partijleden van Nixon vreesden zijn instabiliteit. Als vicepresident reageerde Nixon eens woedend op hem vijandig gezinde studenten. „Wat zou je verdomme doen als je president was en in een werkelijk slechte situatie zou belanden?”, vroeg een geschrokken adviseur hem.

Ook in politieke manoeuvres zijn er overeenkomsten. In 1968 nam Nixon als presidentskandidaat heimelijk contact op met de president van Zuid-Vietnam om hem te verzekeren van zijn steun als hij president zou worden. Michael Flynn, de inmiddels afgezette adviseur van Trump, zou hetzelfde met de Russen hebben gedaan.

Nixon was, volgens zijn biograaf, aanvankelijk geen megalomane president, hij wérd het door de combinatie van macht en diepe innerlijke onzekerheid. Hij ontwikkelde, evenals Trump, een grote verachting voor de liberale elite, de kosmopolitische intellectuelen van de Oostkust, gepersonifieerd door bevoorrechte jonge mannen als John F. Kennedy. Het was Nixon die het begrip „zwijgende meerderheid” muntte en daarmee een eigen vorm van populisme vond.

Het grote verschil tussen beiden is, aldus Jennifer Senior, de zelftwijfel. Nixon ging eronder gebukt, Trump lijkt er geen last van te hebben. Maar, waarschuwt Senior, grote onzekerheid en eigendunk leiden vaak tot hetzelfde openbare gedrag: roekeloosheid.

Dat is het woord dat vaker bij mij opkomt als ik Trump zie en hoor. Hoe roekeloos kan hij zijn?