Recensie

Rondstruinen bij de marxistische adel

Een bezoek aan de Sovjet-Unie (1929) is verwerkt in een proustiaanse roman over de decadente elite.

Tekening Paul van der Steen

Du côté de chez Staline – De kant van Stalin. Zonder twijfel was dit een passender titel geweest voor de in 1971 postuum verschenen en nu vertaalde roman Het bal in het Kremlin van de Italiaan Curzio Malaparte (1898-1957). Zijn uitgever vond het echter niets en koos voor iets feestelijkers toen het onvoltooide manuscript jaren na de dood van de schrijver eindelijk naar de drukker ging.

Toch is dat jammer, want Het bal in het Kremlin geeft een, zoals Malaparte zelf in zijn inleiding benadrukt, proustiaans beeld van de decadente Sovjet-elite in de tien jaar voorafgaand aan Stalins Grote Terreur van 1937. Het boek is dan ook meer een kroniek van het hof van de rode tsaar dan een traditionele roman. In plaats van de lotgevallen van een hoofdpersonage wordt hier een sociaal milieu geschetst in een door angst bepaalde samenleving. En een plot? Die ontbreekt geheel, of het moet het naderende onheil van de Stalin-terreur zijn.

Malaparte’s Madame de Guermantes heet Natalja Loenatsjarskaja. Behalve de vrouw van Volkscommissaris van Onderwijs, Voorlichting en Wetenschappen Anatoli Loenatsjarski is ze de losbandige society-koningin van Moskou. Op feesten verschijnt ze in Schiaparelli-jurken, die op staatskosten in Parijs zijn aangeschaft en eigenlijk alleen op het theaterpodium gedragen mogen worden. Om haar heen darren de officieren, diplomaten en politici van het nieuwe regime. Het zijn parvenu’s, die niet onder doen voor hun tsaristische voorgangers. Ze leven in weelde en brengen hun dagen het liefst door in de balzaal of op het tenniscourt van het Volkscommissariaat van Buitenlandse Zaken. Daar verkeren ze in kringen van roddelende buitenlandse ambassadeurs en correspondenten, daar voelen ze zich Europeanen, omdat ze zo verzot zijn op de theaters, nachtclubs en restaurants van Parijs of Londen.

Mussolini-aanhanger

Malaparte beschrijft dat decadente milieu in geuren en kleuren, waarbij hij put uit zijn ervaringen van het bezoek dat hij in 1929, toen hij nog een overtuigd aanhanger van Mussolini was, aan Moskou en Leningrad bracht. Met het communisme had hij niets op en hij meende dat het Russische volk er net zo over dacht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn beschrijving van een bezoek aan een uitvoering van een toneelstuk van Michail Boelgakov, waarin een groepje Witte officieren het tsaristische volkslied ‘God beware de tsaar’ zingt en iedereen in de zaal ineens zit te sidderen en te snikken. Niet voor niets is hij dan ook genadeloos voor het gepronk van het nieuwe Sovjetregime met het eerste vijfjarenplan, dat op een enorme hongersnood zal uitlopen en miljoenen slachtoffers zal eisen, maar vooralsnog door menig Sovjetburger wordt bejubeld.

De ‘marxistische adel’ is volgens Malaparte op grond van zijn ideologie fatalistisch van aard en zal in de gevangenis eindigen, alleen al omdat Stalin een puritein is en niets mondains heeft, al wil hij een beroemde ballerina van een Sovjetprins afpakken. Het is dan ook van begin af aan duidelijk dat deze wereld tot de ondergang is gedoemd. De arrestatie, in 1934, van Trotski’s bondgenoot en zwager Lev Kamenev voert Malaparte op als de voorbode daarvan. Als lugubere opmaat komt hij ook nog aanzetten met de zelfmoord van de dichter Vladimir Majakovski, een daad die door Loenatsjarski ‘een typisch contrarevolutionair gebaar’ wordt genoemd en daarom door de autoriteiten moet worden verhuld, en met angstaanjagende beschrijvingen van het uiterlijk van Kamenevs vrouw: ‘Het vet dat haar zacht bekleedde, haar bescheen met zijn doodse amberkleur, zijn geel met trage, diepe, groenige weerkaatsingen, was geen obesitas door de leeftijd, niet de precieuze, zachte, delicate, gladde obesitas van het vermoeide vlees van vrouwen boven de veertig: het was de zachte obesitas van de dood, dat treurige embonpoint van lijken.’ Beter kun je het naderende einde niet omschrijven.

Dankzij een dandy met mascara-wimpers ontmoet hij excentrieke types

In het beste deel van deze roman stapt Malaparte in de oude landauer van Flo-rinski, het hoofd van de afdeling protocol van het Volkscommissariaat van Buitenlandse Zaken, die tijdens de Grote Terreur zal worden geëxecuteerd. In gezelschap van deze homoseksuele dandy met zijn ‘dikke, stijve mascarawimpers’, die onder de tsaar al diplomaat was en zich nu over de buitenlandse ambassadeurs ontfermt, ontmoet hij allerlei excentrieke types, zoals de bejaarde, verarmde vorst Lvov, de voorzitter van de laatste tsaristische Doema, die op straat tevergeefs een fauteuil aan een voorbijganger probeert te slijten, of een verpleegster die haar rok omhoog trekt om haar onderbroek te koop aan te bieden. Dankzij zulke schitterende scènes vergeef je hem zijn aanstellerige beschrijvingen van Moskou in de ochtend, zoals ‘uit de stad steeg een diepe ademtocht op, als van een zieke koe’.

Drieluik

Samen met Malaparte’s romans Kaputt en De huid had Het bal in het Kremlin een drieluik moeten vormen over de neergang van Europa in de twintigste eeuw. De huid ging over de bevrijding van het pestilente Napels door de Amerikanen in 1943 en in Kaputt behandelde de schrijver het oostfront in de Tweede Wereldoorlog, waar hij als oorlogsverslaggever met de Duitse troepen optrok.

Uit Kaputt staan me nog altijd een paar idiote, surrealistische passages bij, zoals over een winters Fins meer vol bevroren paarden en een diner in Krakau bij de Duitse gouverneur-generaal Hans Frank, die op de vleugel Chopin speelt terwijl het joodse getto van Warschau met de grond gelijk wordt gemaakt. Het is ergerniswekkende kitsch, die door de wreedheid die ermee gepaard gaat, toch indruk maakt.

Het bal in het Kremlin is in veel opzichten net zo’n merkwaardige, onevenwichtige roman als Kaputt en De huid. Dit keer storen vooral de ronkende betogen, zoals over het verlangen van de Russische mens om te lijden en zo Christus te worden, of over de vroegere obsessie van Russen met de dood die in de Sovjet-Unie vervangen zou zijn door ‘een hogere, resolute gedachte waar ze geen afstand van kunnen nemen’, of over Renaissancekunst. Je vraagt je voortdurend af wat zulke verhandelingen in dit boek doen, totdat je beseft dat Malaparte bezig is de eeuwenoude waarden van de Westerse beschaving te verdedigen tegen een nieuwe ideologie die weinig met het Westen opheeft. Op dat moment vallen die zwakke fragmenten op hun plaats.

En dan heeft deze roman nog een andere kwaliteit, want bijna niemand verschaft je zo’n scherp inkijkje in het milieu van die eerste generatie van de Sovjet-elite als Malaparte. Zijn beschijvingen van de enorme bouwput die Moskou in die jaren was (‘een gruizend hijgen van machines’) en van de menigtes op straat (‘De treurige glans in de ogen van de jonge arbeiders die tegen de avond in de trams en op de bankjes van de parken zaten te lezen [...] bezorgde me een buitengewone ontroering, deed me huiveren’), zijn zelfs ongeëvenaard. Maar een vreemd boek blijft het.