Recensie

Kunst en pop kwamen samen in de Velvet Underground

Popgeschiedenis

The Velvet Underground had de reputatie van een marginale avant-gardeband. Totdat Lou Reed hun nummers ging zingen en de groep herontdekt werd.

Nico en Sterling Morrison van de Velvet Underground in het Delmonico Hotel, New York, in 1966 Foto Adam Itchie/Redferns/Getty Images

Het album The Velvet Underground & Nico (1967) is wel eens vergeleken met het werk van Vincent van Gogh: genegeerd toen het gemaakt werd, later alom gewaardeerd en opgenomen in de canon. Een belangrijk album, daar zijn popjournalisten het over eens, dat bij veel latere bands duidelijk doorklinkt als invloed. Al heeft het debuut van The Velvet Underground nog niet zo’n breed publiek bereikt als Van Goghs zonnebloemen. Songs als ‘Venus in Furs’, ‘Heroin’ of zelfs het lieflijke ‘Sunday Morning’ maken geen kans in de Top 2000.

Precies vijftig jaar na het verschijnen beschrijft Peter Bruyn in De plaat die rock volwassen maakte de totstandkoming van het album. In zijn inleiding legt hij uit waarom deze volgens hem revolutionaire en verontrustende plaat zo belangrijk is. ‘Omdat de popcultuur en de kunstwereld er samenkomen’, aldus Bruyn. ‘Niet geforceerd, maar symbiotisch.’ Dat gaat verder dan de bemoeienis van Andy Warhol, die de groep onder zijn hoede nam en de fameuze banaan-hoes ontwierp.

In de muziek klinkt de avant-garde van componisten als John Cage en La Monte Young door, waar vooral John Cale (die in de band altviool, basgitaar en piano speelt) zich in verdiepte. De teksten van zanger/gitarist Lou Reed over onder meer hard drugs en seksuele onderwerping lagen dichter bij de literatuur van Ginsberg, Burroughs en Hubert Selby Jr. dan bij de popsongs van bijvoorbeeld The Beatles.

Maar in de Summer of Love van ’67 zat niemand erop te wachten. Misschien lag het aan de timing of aan het gebrekkige management van Warhol, maar er verschenen nauwelijks recensies. De plaat kwam wel binnen in de Billboard Album 200, maar reikte niet hoger dan 195. Geflopt. De waardering kwam enige jaren later alsnog toen Lou Reed tijdens zijn succesvolle solocarrière ook Velvet Underground-nummers op het repertoire nam en The Velvet Underground & Nico herontdekt werd.

Diverse minnaars

Bruyn beschrijft minutieus hoe de bandleden elkaar leerden kennen, hoe de connectie met Warhol tot stand kwam en hoe deze vervolgens de Duitse Nico aan de band toevoegde: een fotomodel, actrice en zangeres met een betoverende uitstraling. Haar diverse minnaars komen aan de orde, evenals het drugsgebruik van de muzikanten. Interessant en vermakelijk zijn de citaten uit het ooggetuigenverslag dat schrijver en schilder Jan Cremer destijds publiceerde in het blad Hitweek – een mooi Nederlands tintje dat in andere Velvet Underground-boeken ontbreekt.

Aan de hand van uitgebreid bronnenonderzoek en enkele interviews met betrokkenen heeft Bruyn uitgeplozen waar en wanneer de nummers precies zijn opgenomen. Hij maakt duidelijk op welke manier Reed en Cale elkaar aanvulden en ook hoe bepalend de rudimentaire stijl van drummer Maureen ‘Moe’ Tucker was voor het bandgeluid. Toch komt het album zelf in het boek niet echt tot leven. Misschien omdat Bruyn zich een beetje verliest in details, zoals hoe vaak de groep optrad in april 1966 en welke songs er bij die gelegenheden al dan niet gespeeld zijn. Hij gaat uitgebreid in op de verschillende versies die er zoal zijn gemaakt van de afzonderlijke nummers, maar er ontbreekt een simpele beschrijving van hoe de uiteindelijke plaat van begin tot eind klinkt.

De laatste hoofdstukken dwalen af van het eigenlijke onderwerp, als Bruyn uitvoerig ingaat op de latere Velvet Underground-albums, de solo-carrières, de reünie in 1993, Reeds Metal Machine Music en diens samenwerking met Metallica. Het was interessanter geweest om meer te weten te komen over de opmerkelijke herwaardering (en misschien wel overwaardering) die The Velvet Underground & Nico de afgelopen decennia ten deel viel, met hoge plekken op de ranglijsten van de ‘greatest albums of all time’ die bladen als Rolling Stone en NME opstelden.

Overigens is het jammer dat het boek veel storende type- en drukfouten bevat, evenals het consequente foute gebruik van spaties in samengestelde woorden die aan elkaar geschreven horen te worden (of desnoods met een koppelteken). Daar had een goede eindredacteur korte metten mee moeten maken.