Column

Dr. Laurens

Mijn beste vriend is dood. Hij ligt op de bank en hij is koud. Veel eerder en tegelijkertijd veel later dan ik gedacht had. Mijn dochter danste in een balletpak uit haar verkleedkist op die uitgekauwde eerste Gymnopédie van Satie – een versie van Reinbert de Leeuw, dat wel – vlak voordat hij stierf. Ze zong een lied. Het ging te snel. Hij zou nog wel even flexibel zijn. Rigor mortis zou nog wel op zich laten wachten. Ik zou nog een stukje over hem schrijven als we uitgehuild waren. Als ik uitgehuild raakte. Een stukje dat hem recht zou doen, mijn beste vriend.

Maar zo is het niet. Hij is lijkstijf en hij zit er niet meer in. Hij ligt op de bank en ik heb te veel gedronken. Want hij is dood, mijn beste vriend. Ik zou vertellen hoe ik hem kreeg. Dat hij een cadeau was. Hoe ik in hem een engel zag, omdat hij was wie hij was, een zacht mens die geen mens was maar iets beters. Hoe ik was opgegroeid met goed en kwaad, zwart en wit. Hoe ik dacht dat ik duister was, niet goed, hoe ik een kind was toen hij mijn cadeau bleek, en hoe alleen ik daarvoor was. En toen kwam hij. En hij was wit. Volledig wit, een sneeuwbal met een gloeiend hart. Hoe ik hem kamde als een baby. Hoe hij een engel was en dat hij mij had en ik hem. Hoe hij onvoorwaardelijk, alles. Hij en mij. Hoe wij altijd. Maar zo is het niet.

De kraan lekt. Auto’s rijden langs en het huis trilt ervan. Maar mijn vriend is dood. Nu zou ik schrijven wie hij was. Dat hij een chipsbakjeshouder gegraven heeft in de leuning van de bank, dat schaaltjes water om moesten, net als vazen, en telefoons kapot. Dat hij doof was en hard gilde. Dat hij mijn vriend was en waarom.

It’s not normal. It’s not healthy”, zei een psychiater, die niet van zijn papier opkeek, tegen mij toen ik geantwoord had „My cats” omdat hij vroeg of ik beste vrienden had en wie dat waren. No shit, Sherlock, had ik gedacht maar ik heb er geen woord meer over gezegd. Gedaan of ik naar mezelf terug wilde zodat ik weer bij hem kon zijn. Mijn beste vriend heeft mijn leven gered en ik hoop dat ik heb terugbetaald wat ik van hem gekregen heb.

Misschien vond hij dat ik het nu wel alleen kon. Misschien heeft hij me gegeven wat ik nodig had. Misschien dacht hij dat het goed was zo. Maar zo is het niet.

„Wat lijken jullie op elkaar’’ is het grootste compliment dat ik ooit kreeg. En nu is hij kapot. Even klein in mijn armen toen hij stierf als op de dag dat ik hem kreeg en niet meer losliet. Ik ga de koelelementen, die in de zomer wijn koud houden in het park, uit de vriezer halen en in mijn bed leggen. Ik ga het lichaam van mijn vriend optillen en op de elementen leggen, naast mijn kussen. Ik ga mijn neus in zijn zachte vacht, tegen zijn hard geworden lichaam duwen, het laatste restje geur uit zijn haren snuiven. Snuiven tot ik het allerlaatste van hem dat nog de illusie van leven draagt, in me heb opgenomen. Het is niet anders. En dat is onverdraaglijk.