De panda is niet dom en niet gedoemd

Misverstanden

Panda’s hebben de reputatie dat ze slecht zijn toegerust voor de strijd om het bestaan. Zo zouden ze te lamlendig zijn om zich voort te planten. Maar de panda is altijd slecht begrepen.

Vier panda’s van zes maanden oud die nog geen namen hebben spelen op de Djiangyan Panda-Basis, die deel uitmaakt van het Chinese departement voor natuurbescherming. Ami Vitale / National Geographic

De reuzenpanda heeft een imago-probleem. De zwartwitte beer zou gedoemd zijn om uit te sterven. Het bamboedieet zou te karig zijn, de intelligentie van panda’s te beperkt. Panda’s hebben zelfs geen zin te paren. En áls er dan pandawelpjes geboren worden, gaat moeder panda er bovenop zitten.

Laat maar uitsterven, klinkt het dan, dat hopeloze beest. De panda is niet meer te redden.

Maar uit de panda-onderzoeken die zich de afgelopen twintig jaar hebben opgestapeld rijst een ander beeld van het dier op. De panda is niet dom of gedoemd. Mensen hebben de panda al die tijd verkeerd begrepen.

Oké, een buitengewone beer is het zeker. De reuzenpanda heeft absoluut een ongewone levensstijl. Van de acht soorten beer is de panda de enige vegetariër. Waar andere beren hun energie halen uit calorierijke bronnen zoals vis, vruchten en vlees, heeft de panda zijn lot verbonden aan bamboe, een plant die arm is aan vet en eiwitten en waarbij de koolhydraten moeten worden bevrijd uit taaie plantenvezels.

Panda’s moeten enorme hoeveelheden bamboe eten om aan hun energiebehoefte te voldoen. Dagelijks werkt het dier tussen de 12,5 kilo en 40 kilo bamboe naar binnen. Een panda heeft daardoor nauwelijks tijd over iets anders te doen dan slapen en bamboe knagen.

Het is een fabeltje dat een panda niets anders dan bamboe kán eten. Panda’s eten bij uitzondering ook vlees of vruchten, als ze de kans krijgen. In februari berichtten Chinese media over een panda in Sichuan die een geit had gedood en opgegeten.

Anatomisch is de panda perfect aangepast aan zijn bamboedieet. Pandakaken zijn gespierd. In zijn bek grote, stevige kiezen – plat en geribbeld. Ideaal gereedschap om bamboe mee fijn te malen.

De ‘valse duim’ van de panda is een andere zichtbare bamboe-aanpassing. Panda’s hebben als enige beren een opponeerbare zesde ‘vinger’ waarmee ze bamboestengels grijpen en vastklemmen. De duim is een uit de kluiten gewassen handwortelbeentje.

Genetici hebben ook in het DNA van panda’s aanpassingen aan hun plantaardig dieet gevonden. Zo zijn panda’s hun smaak voor vlees kwijtgeraakt: door een mutatie zijn de umami-receptoren op de pandatong uitgeschakeld. Umami geldt als de ‘zesde smaak’ en is kenmerkend voor vlees en vis. Chinese genetici becijferden dat de panda zo’n 4,2 miljoen jaar geleden dit deel van zijn smaak verloor (Molecular Biology and Evolution, 2010).

Zelfs de enorme vraatzucht van de reuzenpanda lijkt een genetische basis te hebben. Het gen COMT is bij panda’s verminderd actief. COMT is onderdeel van het systeem dat het verzadigde gevoel na een maaltijd oproept. Bij mensen zijn mutaties in COMT geassocieerd met eetstoornissen, zoals boulimia.

Genetisch en anatomisch is de panda dus een planteneter. Maar als het op bamboe verteren aankomt, valt de vegetarische bekeerling door de mand. De meeste planteneters hebben extra magen en lange darmen, zodat darmbacteriën meer gelegenheid krijgen de taaie plantenvezels te verteren. Maar het darmstelsel van de panda is kort en simpel, als bij een vleeseter. Van binnen is de panda meer kat dan koe.

Bijkomend probleem is dat de panda überhaupt niet over vezelafbrekende bacteriën beschikt. Chinese microbiologen die het DNA van darmbacteriën in panda onder de loep namen, zagen de darmflora van een vleeseter.

Het gevolg is dat panda’s de bamboe die ze eten nauwelijks verteren. In een klassieke dierentuinstudie uit 1982 bleek dat panda’s maar 8 procent van de cellulose en 27 procent van de hemicellulose in bamboe verteren (samen vormen cellulose en hemicellulose de belangrijkste bronnen van koolhydraten in bamboe). Dat is ook terug te zien in de ontlasting: pandadrollen zijn vaak groen en zitten nog vol halfverteerde bamboe-stukjes.

Hoe kan het dat de panda zo veel van zijn hoofdvoedsel verspilt? Misschien ontbrak de evolutionaire tijd om de spijsvertering zo fundamenteel te hervormen. In evolutionair opzicht zijn panda’s relatief kort geleden overgestapt op een vegetarisch dieet. Genetici hebben uit DNA-volgorden afgeleid af dat panda’s zo’n 22 à 18 miljoen jaar geleden zijn afgesplitst van andere beren. Ter vergelijking: voorouders van paarden knabbelden meer dan 50 miljoen jaar geleden aan het loof van struiken en planten.

En niemand weet wannéér in hun evolutie panda-voorouders overgingen op een dieet van planten, maar uitgestorven panda-achtigen zoals de Europese Kretzoiarctos (12 miljoen jaar oud) en de Aziatische Ailurarctos (8 miljoen jaar oud) hadden al duidelijk het gebit van planteneters.

Versnipperd leefgebied

Bamboe half verteren was nooit een probleem voor panda’s. Er groeide genoeg. En als er één bamboebos in bloei kwam en afstierf, trokken de panda’s simpelweg verder. Pas toen de mens oprukte en het leefgebied van de panda versnipperd raakte, keerde de afhankelijkheid van bamboe zich tegen hen.

Hoe zit het met de zwakke voortplantingsdrift van de panda? „Een mythe”, zegt bioloog Ron Swaisgood van San Diego Zoo. In het wild hebben panda’s geen enkel probleem om elkaar te vinden en te paren. Het beeld van de seksuele wanpresteerder is vooral gebaseerd op mislukte pogingen uit de jaren 80 en 90 om panda’s in gevangenschap te laten paren. Inmiddels zijn de Chinezen behoorlijk bedreven in het koppelen van panda’s.

Swaisgood kan het weten. Hij werkt al 20 jaar samen met Chinezen van het panda-centrum in Wolong en heeft in die tijd het panda-fokprogramma zien opbloeien. „Begin jaren 90 werden er nog maar twee of drie welpen per jaar geboren. Nu zijn dat er tientallen.”

De grote uitdaging was om het rijke seksuele gedrag van wilde panda’s na te bootsen op de enkele vierkante meters van een panda-verblijf. In het wild leven panda’s het grootste deel van het jaar alleen. In de weken voordat een panda-vrouwtje vruchtbaar wordt begint ze rond te zwerven. Ze adverteert haar vruchtbare status met urinesporen en geurvlaggen. Mannetjes pikken die geuren op en strijden met elkaar om de gunst van het vrouwtje.

Ook in gevangenschap begint een succesvolle paring met het uitwisselen van geursignalen. Swaisgood en zijn collega’s wakkeren de seksuele opwinding aan door houtblokken met urine in het hok te plaatsen, of door het mannetje en vrouwtje te laten wisselen van hok.

Wat ook helpt: panda’s zelf hun partner laten kiezen. Panda’s geven interesse aan door geil te kirren of met poten over de grond te schrapen. Als twee panda’s elkaar wel zien zitten, krijgt 90 procent van de koppels een welpje. Zonder wederzijdse klik is het succespercentage 50 procent. Het klinkt zo simpel, en toch werd de rol van partnerkeuze pas in 2015 goed onderzocht. Panda’s wíllen best paren, maar op hun eigen voorwaarden.

Ontaarde moeders

Swaisgoed rekent ook af met de mythe dat panda’s slechte moeders zouden zijn. „Panda’s zijn de meest toegewijde moeders van het dierenrijk”, zegt hij. In het wild verblijven panda-moeders wekenlang met hun jong in een hol. Ze maakt alleen uitstapjes om te eten of drinken.

De panda-moeder móet ook wel. Pasgeboren panda-jongen zijn hulpeloze wurmpjes van 100 gram. Moeder panda weegt 100 kilo. Op buideldieren na hebben panda’s verhoudingsgewijs de kleinste jongen van alle zoogdieren.

Ook in dit geval is het slechte imago van de panda gebaseerd op incidenten in dierentuinen, waarbij jonkies werden opgegeten of verstoten. „De meeste panda-moeders doen het prima”, zegt Swaisgood. „En als een moeder toch bang is voor haar eigen jong, verwisselen we het jong met een panda-knuffel die we in de urine van het jong rollen. Na een tijdje oefenen lukt het alsnog.”