De keizer mocht het porselein niet zien, maar wij nu wel

Exclusief

Soms was het keizerlijke Chinese porselein niet goed en moest het worden begraven. Zo bleef het bewaard. In Delft is het nu voor het eerst buiten Azië te zien.

Ze hadden nooit gezien mogen worden, de porseleinen kommen, kannen en wijnkopjes voor de keizer die waren mislukt: de kleur niet pregnant genoeg, de vorm net niet perfect. Maar honderden jaren later, in de jaren tachtig van de twintigste eeuw, werden ze gevonden: in scherven gebroken en begraven, rondom wat ooit de keizerlijke porseleinovens moesten zijn geweest. Kennelijk mocht je niet alleen niet zien wat de keizer van China zag in zijn Verboden Stad, ook mocht je niet zien wat hij had kunnen zien.

Maar nu zijn ze er dan wel, in Museum Prinsenhof in Delft: meer dan 120 porseleinen objecten uit de Ming-dynastie (1368-1644), gemaakt in de keizerlijke werkplaatsen van de Chinese stad Jingdezhen, een indertijd afgesloten, ommuurde wijk. Verboden porselein – Exclusief voor de keizer heet de tentoonstelling, die niet toevallig plaatsvindt in Delft. Vanaf de zeventiende eeuw bracht de Verenigde Oost-Indische Compagnie blauw-wit porselein mee uit China, waarna dat de belangrijkste inspiratiebron werd voor Delfts blauw (dat overigens is gemaakt van andere klei, met wit glazuur).

Geen wonder dus ook dat Delft en Jingdezhen een stedenband hebben: zoals Jingdezhen leverde aan het keizerlijk hof, zo leverde Delft aan het koninklijk huis. Dankzij die stedenband, maar ook omdat Museum Prinsenhof vorig jaar de beveiliging vernieuwde voor het tijdelijke verblijf van Het Straatje van Vermeer, is het verboden porselein nu voor het eerst buiten Azië te zien.

En niet alleen dat porselein, ook van zes hedendaagse ontwerpers zijn keramische kunstwerken tentoongesteld: drie Chinese kunstenaars, die een paar weken als artist-in-residence kwamen werken bij Royal Delft. En drie Nederlandse, die verbleven in Jingdezhen.

Tegels met wilgenblaadjes

Het is het eerste wat je ziet als je binnenkomt: de Chinese kunstenaar Ran Xiangfe, nog bezig met het voorzichtig opstapelen en in elkaar passen van wat nog het meeste lijkt op een verzameling Delfts blauwe tegeltjes. Er zijn wegwaaiende, blauwe blaadjes van wilgenbomen op afgebeeld, Ran Xiangfe was hier in november voor het eerst. In een andere vitrine staan blauwe en witte vaasjes in rijen opgesteld, hun halzen steeds wat verder doorgebogen, alsof ook hier de wind overheen blaast.

In diezelfde eerste zaal gaat het over productietechnieken, over hoe de ovens eruit zagen en waarom er zoveel werd vernietigd. Nog een reden: soms werden kommen en kannen gewoon niet gekozen door de vertegenwoordigers van de keizer, omdat andere mooier waren.

Op een filmpje van de opgravingen zie je de Nederlandse archeoloog-in-residence aan het werk bij de opgravingen van Jingdezhen: ook archeologen werden tijdelijk uitgewisseld. Een tijdlijn toont de evolutie: grof aardewerk van duizend jaar oud, driehonderd jaar later de verfijning, zeshonderd jaar geleden al bijna doorzichtig porselein.

In de volgende zaal staan de opnieuw gelijmde voorwerpen, waarvan vaak nauwelijks is te zien dat ze zijn opgebouwd uit scherven. Kennelijk werden ze niet keihard kapot gegooid. Een wierookbrander in de vorm van een eend, je kon de bovenste helft optillen, er wierook indoen en rook en geur ontsnapten dan door zijn open snavel, heeft het tongetje nog in de bek.

Kobalt, voor hoge temperaturen

Het porselein is gerangschikt naar keizer, ze hadden verschillende voorkeuren en collecties. Hongwu (1369-1398) bijvoorbeeld, de stichter van de keizerlijke ovens, legde de handel met het Midden-Oosten aan banden. Daardoor verminderde de import van kobalt: de ideale blauwe kleurstof voor bakken op extreem hoge temperaturen. Onder zijn regime waren de kleuren net wat fletser, ook werd rood gebruikt.

Yongle, zijn opvolger, importeerde weer kobalt, maar had een voorkeur voor onbeschilderd porselein: veel wit, vaak bedoeld voor religieuze rituelen. Xuande, diens kleinzoon, was betrokken bij de kunsten, naar verluidt werd zijn eigen handschrift gebruikt voor de karakters in zijn porseleinmerk. Van Chenghua (1464-1487) ten slotte, zijn veel wijnkopjes overgebleven, hij was dol op een glaasje.

Zo dicht komen bij wat zo oud en tegelijk zo verfijnd is, dat laat je even uit je eigen wereld stappen. Saai wordt het nooit, dat andere gevoel dat op de loer ligt bij dit soort exposities: de afwisseling met het werk van de zes kunstenaars, dat her en der door de zalen staat, laat je steeds even opschrikken: wat is dit nou weer.

En dan zijn er nog de privé-vitrines, waar je achter een gordijn even helemaal alleen kunt zijn met een voorwerp. Een beetje zoals vroeger de makers hun een-op-eenmomentje hadden met wat ze maakten voor de keizer.