Commentaar

Terechte kritiek Raad van State is te vrijblijvend

Hartstochtelijk vóór de Europese Unie, zeer beducht voor de opmars van directe democratie en ernstig bezorgd over de hoge druk op de democratische rechtsstaat. De vice-president van de Raad van State, Piet Hein Donner, sprak in zijn jaarlijkse analyse van de rechtsstaat bij het jaarverslag stevige taal. Wat dan ook leidde tot aandacht-bedelende koppen waarin Donner de EU ‘bejubelt’ en referenda afkeurt wegens ‘uitholling van de democratie’ – precies tegen de heersende politieke conjunctuur in. Wat Donner ook wel toevertrouwd is.

De ‘onderkoning’ keert zich terecht vierkant tegen het internationaal opkomende populisme, de nostalgie naar de natiestaat en het opportunistisch ongenoegen over de magistratuur die niet met de laatste wind meewaait. Donner is intussen pessimistisch. In het politieke klimaat ziet hij ‘voorboden’ van een ‘aardverschuiving’ in overtuigingen, uitgangspunten en collectieve zekerheden.

Daarbij blijft hij overtuigd Europa-aanhanger, wat ook onderschreven kan worden. Andere oplossingen voor een klein land in een globaliserende omgeving zijn kolossaal duur en niet effectief. Het terugverlangen naar autonomie, gesloten grenzen en eigenbelang noemt hij een ‘anachronistisch model dat misschien enkelen rijker maakt maar velen schade berokkent’. Sterker nog, de Brexit brengt hem tot de observatie dat dergelijke ‘eenzijdige nationale besluitvorming’ niet meer van deze tijd zou moeten zijn. Er worden inmiddels zóveel essentiële belangen met elkaar gedeeld, defensie maar ook klimaat en veiligheid, dat zoiets helemaal niet zou moeten kunnen. Maar helaas is het dat wel en gebeurt het dan ook.

Op bepaalde terreinen zou Europa zelfs ‘doorzettingsmacht’ moeten hebben. Wie durft daar nog voor te pleiten? Donner onderkent dat hij mogelijk voor ‘federalist’ gehouden kan worden, maar dat kan hem niet schelen. Dat is op zichzelf verfrissend, maar het roept ook de vraag op of de parochie waar hij voor preekt nog wel in leven is. En als dat niet zo is, wat dan de oplossing is? Daarin is hij minder duidelijk. Daarmee is zijn kritiek niet onterecht, maar ook wat vrijblijvend.

In zijn kritiek op het verlangen naar meer mogelijkheden voor directe ‘volksdemocratie’ is de vice-president licht voorspelbaar. Weliswaar onderschrijft hij de noodzaak om burgers meer te betrekken bij de besluitvorming, maar dan toch vooral op lokaal niveau, in de eigen omgeving. Als het de hele gemeenschap betreft dan moet er voluit worden vastgehouden aan de vertegenwoordigende democratie. Doorgaan met nationale referenda ‘leidt tot geleidelijk disfunctioneren’ ervan, meent hij.

Dat kan best zijn, maar intussen staat de ‘kloof burger overheid’ nu al zo’n 15 jaar op de agenda – het heeft nog bitter weinig democratische vernieuwing opgeleverd. Dat valt de Raad van State niet te verwijten, maar een iets positiever signaal was wel fijn geweest. Burgemeesters en commissarissen van de Koning worden immers nog steeds niet gekozen, aan lekenrechtspraak of een constitutioneel hof wil de politiek niet, ‘burgerinitiatieven’ worden politiek niet beloond, terwijl het laatste raadgevend referendum (Oekraïne) vooral liet zien welke zwakke punten dit middel kent.

Donner stuurt met zijn kritiek de burger terug in zijn (stem)hok waar hij één keer per vier jaar de Kamer mag kiezen – maar meer ook niet. Dat is en blijft toch nogal mager.