Poten- en pottenrammen

Ewoud Sanders

Volgens de Dikke Van Dale betekent potenrammen „eropuit trekken om homoseksuelen in elkaar te slaan”. Dat klinkt alsof het slechts om een voornemen gaat. Op die manier zou je inbreken moeten definiëren als ‘eropuit trekken om te gaan roven’. In de praktijk wordt potenrammen gebruikt voor het daadwerkelijk in elkaar slaan van homoseksuelen.

De afgelopen week dook het woord potenrammen opeens weer op, vanwege geweld tegen twee homoseksuele mannen in Arnhem. Ik ben blij dat slechts weinig kranten het woord potenrammen gebruikten, want poot is een scheldwoord voor ‘homo’. Dat is net zoiets als anti-Duitse sentimenten moffenhaat noemen.

Potenrammen is een tamelijk jong woord. Het tijdschrift Haagse Post publiceerde in 1977 een interview met drie jonge Amsterdamse criminelen die zich potenrammers noemden en die er hun „hobby” van hadden gemaakt om homoseksuelen gewelddadig te beroven. Een citaat uit dat onfrisse interview: „Als ik zo’n miet zie lopen dan word ik helemaal woest. Vieze mannetjes zijn het. Ik voel me gewoon een held als ik zo’n flikker te grazen neem. En ja god, als je zo’n kerel toch aan het rammen bent, waarom zou je hem dan niet meteen beroven?’’

Al zeker een jaar of tien hoor ik dat Nederland een stuk intoleranter is geworden. Vaak wordt daarbij als voorbeeld gegeven dat mannen (en in mindere mate vrouwen) zelfs in Amsterdam niet meer probleemloos hand in hand kunnen lopen. Als je dan vraagt wanneer dit wél kon, hoor je geregeld: in de jaren zeventig en tachtig.

Dat kan waar zijn, maar wil niet zeggen dat er indertijd geen geweld tegen homo’s voorkwam. Zelf herinner ik me dat hier in die jaren juist vaak over werd geschreven. „Wie louter op krantenberichten afgaat”, schreef Rob Tielman in 1982 in zijn standaardwerk Homoseksualiteit in Nederland, „zou bij oppervlakkige waarneming de indruk kunnen krijgen dat de agressie tegen homoseksuele mannen de laatste jaren aanzienlijk is toegenomen. Het aantal berichten over potenrammers (meestal groepjes jonge jongens die homoseksuelen in elkaar slaan op anonieme ontmoetingsplaatsen) is namelijk gestegen, maar betekent dat ook dat dit verschijnsel zich meer voordoet?”

In de jaren zestig kwam het volgens Tielman vaak voor dat de politie wel de daders te pakken kreeg, maar dat hun slachtoffers ervandoor gingen uit angst voor ontdekking. „Er zijn in het verleden veel potenrammers geweest die ongestoord hun gang hebben kunnen gaan, omdat de in elkaar geslagen homo’s geen aangifte durfden te doen en het is zelfs voorgekomen dat de politie bij aangifte het slachtoffer een bekeuring heeft gegeven en de daders vrijuit heeft laten gaan.”

In de jaren zeventig veranderde dat: homoseksuelen werden weerbaarder, de politie kreeg een homovriendelijker houding en „door de grotere bereidheid om openlijker uit te komen voor het hebben van vluchtige contacten, plegen homo’s meer verzet tegen potenrammers, wordt er meer aangifte gedaan, wordt er meer over gesproken en geschreven”. Tielmans conclusie was dan ook: de ijsberg is waarschijnlijk niet groter maar slechts zichtbaarder geworden, want hij is nu boven water.

Geweld tegen homoseksuelen is sindsdien blijven bestaan, net als het woord potenrammen. Voor geweld tegen homoseksuele vrouwen kwam er zelfs een woord bij: pottenrammen. Dat staat nog niet in Van Dale.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders