Opinie

‘Als je homo’s aanvalt, tref je de natie in zijn ziel’

Marokkaanse Nederlanders zijn relatief vaak daders van anti-homogeweld. Homo’s zijn het symbool geworden van westerse waarden, schrijft arabist Jan Jaap de Ruiter.

Is het typisch iets voor Marokkanen om homo’s te belagen en in elkaar te slaan? De statistieken vormen mede aanleiding om op deze vraag in te gaan. Volgens het politierapport Antihomogeweld in Nederland (2014) waren Nederlanders van Marokkaanse komaf voor ruim zestien procent van de gevallen verantwoordelijk terwijl ze niet meer dan twee procent van de bevolking uitmaken.

Ik kom al sinds 1980 in Marokko, spreek de heersende taal van het land, Arabisch, en mijn Marokkaanse vrienden- en kennissenkring is groot. Wat mij immer weer opvalt onder Marokkanen daar en hier is hun verdeeldheid over de vraag wie de ware Marokkaan is. In de eerste plaats zijn er de Berbers, of Imazighen, die er al waren voor de Arabieren rond de achtste eeuw kwamen: zíj zijn de oorspronkelijke bewoners. De Arabieren negeren de Berberse claims en stellen dat juist zij het zijn die het moderne Marokko vorm hebben gegeven. Orthodoxe moslims tref je verder aan onder zowel Berbers als Arabieren. Daarnaast is het land politiek hopeloos verdeeld in links en rechts, religieus en quasi-seculier. De regering kan allerlei kleuren hebben maar het paleis bepaalt de politieke richting. De claims van verschillende groepen in de Marokkaanse samenleving op ‘de Marokkaanse identiteit’ hebben enerzijds tot grote verdeeldheid geleid, tot de afwezigheid van een gedeelde nationale trots en tot verketteren van elkaar. Anderzijds tot een rijk maatschappelijk debat over wat de ware Marokkaanse identiteit is.

In deze complexe context wordt ook nog een strijd gevoerd voor erkenning van homoseksualiteit. Dat is bij wet verboden en regelmatig vinden er arrestaties plaats op basis van schending van artikel 489 van het wetboek van strafrecht.

Tegelijkertijd wordt de Marokkaanse homobelangenorganisatie Kif-Kif, ook al is zij statutair gevestigd in Spanje, in Marokko getolereerd en stond koning Mohammed VI (van wie regelmatig beweerd wordt dat hij gay is; de Marokkaanse homo-gemeenschap noemt hem gekscherend de queen) in 2010 een concert van de openlijke homozanger Elton John toe, ondanks protesten van het religieus-conservatieve establishment. Toppunt van de homo-emancipatie is de coming-out van de Marokkaanse schrijver Abdellah Taïa, die in zijn romans, die in Marokko verkrijgbaar zijn, geen doekjes windt om zijn homo-identiteit.

Wat heeft dit alles te maken met een paar Marokkaans-Nederlandse jongens die in gevecht raken met een Nederlands homostel op een brug in Arnhem? De exacte toedracht van deze kwestie kennen we nog niet, maar op basis van de statistiek kunnen we zeggen dat Marokkaans-Nederlandse jongens oververtegenwoordigd zijn onder daders van antihomogeweld. Het zou zomaar kunnen dat het gebrek aan identiteit, zo kenmerkend voor de Marokkaanse gemeenschap, jonge daders treft. Dat laatste levert onzekerheid op, die ook nog eens versterkt wordt door de slechte pers die de Marokkaanse gemeenschap in Nederland heeft. En onzekerheid leidt in voorkomende gevallen tot agressie.

Maar waarom dan buitenproportioneel homo’s aanvallen? Dat laatste heeft naar mijn inschatting alles te maken met de symboolwaarde die homoseksualiteit gekregen heeft.

Homo-zijn is de kanarie in de mijn van acceptatie en emancipatie geworden; accepteer je homoseksualiteit dan accepteer je de ‘westerse waarden’. Als je homo’s aanvalt, tref je de natie in zijn ziel. En dat bleek ook wel, want tout bekend Nederland liep na het incident in Arnhem opeens gelijkslachtelijk hand-in-hand.

Het bizarre is dat er ook een groot voordeel ligt in het verscheurde identiteitsdebat in Marokko en onder Marokkanen in Nederland. Er zijn er tallozen die zich met hart en ziel solidair verklaren met de homogemeenschap en hun emancipatie. Ahmed Marcouch en Ahmed Aboutaleb zijn voorbeelden, maar nog veelzeggender was de reactie van de Raad van Marokkaanse Moskeeën Nederland die stelde ‘solidair met de slachtoffers te zijn’ en het geweld te veroordelen.

Mijn analyse van de mogelijke oorzaken van ‘Marokkaans homogeweld’ doet verder niets af aan de ernst van de incidenten, en het recht dient vanzelfsprekend zijn loop te hebben. Ook is mijn analyse niet bedoeld om begrip voor daders te genereren. Maar ik vertrouw mijn overwegingen wel aan het papier toe om de vinger op de gevoelige plekken te leggen in de hoop dat dat debat entameert en er in de toekomst voor zorgt dat Marokkaanse Nederlanders binnen-proportioneel in de homogeweldstatistieken figureren, want homogeweld is geen pejoratief van Marokkanen. Het is – helaas – van alle tijden en van alle culturen.