De recessie van het kabinet-Rutte III

Geld uitgeven of niet? Terwijl in Den Haag druk wordt getimmerd aan een nieuw kabinet, bereiken het motorblok van VVD, CDA en D66 twee totaal verschillende signalen. Vorige week waarschuwde De Nederlandsche Bank tegen het verjubelen van het begrotingsoverschot dat is ontstaan. Beter is het volgens DNB-president Knot om voorzichtig te zijn om voldoende achter de hand te hebben als het weer slechter gaat. Hij berekent dat de budgettaire gevolgen bij conjuncturele tegenslag in Nederland relatief groot zijn. Om dan niet meteen door de Europese grens van een tekort van 3 procent van het bruto binnenlands product te schieten, zou een overschot van 1 procent moeten worden aangehouden.

Volledig tegenovergesteld is het advies van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) van maandag. Nederland zou juist van zijn budgettaire weelde gebruik moeten maken. Er is veel achterstallig onderhoud in de economie en de groei van de arbeidsproductiviteit is te laag. Aan de slag dus, nu het allemaal kan. Bovendien hamert het IMF al langer op de internationale verantwoordelijkheid van landen die goed bij kas zitten, zoals ook Duitsland. Zij kunnen, door hun binnenlandse vraag aan te wakkeren, andere landen helpen herstellen, in plaats van tegen te werken zoals nu gebeurt.

De onderhandelaars in Den Haag zullen zelf ook heen en weer geslingerd worden tussen het spenderen of koesteren van het overschot. Spenderen is bovendien ‘pro-cyclisch’. Net als bezuinigen bij tegenslag doorgaans geen goed idee is – tenzij er nijpende andere overwegingen zijn – is uitgeven bij hoogconjunctuur dat ook niet. In het ene geval doof je het flakkerende vlammetje van de resterende bedrijvigheid, in het andere gooi je olie op een verzengend vuur.

Er is nóg een factor in het spel bij het budgettaire beleid van een volgend kabinet: timing. Een btw-verlaging voer je bij wijze van spreken morgen in. Een belastingverlaging duurt al langer. Als die deel is van een grotere belastinghervorming: nog langer. En daadwerkelijke overheidsinvesteringen nemen pas écht tijd in beslag voordat ze de samenleving bereiken. De kabinetsformatie zelf kan ook nog duren. Het kan april worden, juni, of misschien pas in of na de zomer voordat er een nieuwe ploeg zit.

Het is redelijk veilig om in te calculeren dat er onder Rutte III een recessie plaats zal vinden

Misschien komt er wel hulp uit onverwachte hoek: de conjunctuur. Wie gaat tellen vindt dat, sinds de oorlog, er in Nederland elke ruim zeven jaar een recessie plaatsvindt. De jongste was deel twee van de ‘dubbele dip’ van de Lehman-crisis van 2008. Dat was in de tweede helft van 2012. Niet dat de economie zich keurig aan deze intervallen houdt. Er zijn ontelbare factoren die een recessie bepalen, van endogene economische cycli tot politieke gebeurtenissen of andere schokken. Het internationale economische klimaat is voor Nederland allesbepalend.

Toch is het redelijk veilig om in te calculeren dat onder Rutte III, mits dat tot en met 2021 zijn termijn volledig voltooit, er een recessie plaats zal vinden. Statistisch is eind 2019 best een goede kandidaat. Reken dan terug: een kabinet in de zomer, net op tijd voor plannen in 2018, waarvan een groot aantal pas in 2019 daadwerkelijk impact zal krijgen.

Natuurlijk, het kan altijd eerder of later zijn. Er zijn intervallen tussen recessies geweest van twaalf, van zes , en recentelijk zelfs van drie jaar. Maar de kans is dus best groot dat Rutte III aanvankelijk van verjubelen wordt beticht, om over ruim twee jaar fijntjes te kunnen wijzen op de fantastische timing van zijn plannen. Onuitstaanbaar, ook best wel. Vooral als daar tegen die tijd iets te veel bij wordt geglunderd.

Maarten Schinkel schrijft over macro-economie en beurzen.