Opinie

Afrofobie ook zichtbaar in de Tweede Kamer

Afro-Nederlanders hebben racisme op de agenda gezet. Daarom is het des te pijnlijker dat zij in de Tweede Kamer niet vertegenwoordigd zijn, vindt antropoloog Mitchell Esajas.

Installatie van nieuwe Kamerleden. Foto Remko de Waal / ANP

In verschillende opzichten waren de verkiezingen historisch. Voor het eerst won een partij opgericht door migranten, DENK, zetels. Met Sylvana Simons was er voor het eerst een zwarte vrouwelijke lijsttrekker. Het waren ook historische verkiezingen omdat er voor het eerst in 23 jaar geen enkele Surinaamse, Caribische of Afrikaanse Nederlander (exclusief Marokko) is verkozen in de Tweede Kamer. „Schandalig”, aldus publicist Kiza Magendane. Het betekent namelijk dat er de komende vier jaar niet met maar over Afro-Nederlanders wordt gepraat en het betekent dat Afro-Nederlanders nog onzichtbaarder dreigen te worden in de politiek.

Afro-Nederlanders zijn paradoxaal genoeg één van de meest zichtbare minderheidsgroepen. Puur vanwege hun rijk gepigmenteerde huidskleur en hun sterk krullende haar is het vrijwel onmogelijk ze te missen. Op het vlak van de nationale politiek lijken ze echter onzichtbaar te zijn en worden ze onder het hokje ‘niet-westerse’ migranten geschaard. Het hokje waarin alles wat niet als wit of westers wordt gezien een plek toebedeeld krijgt. Zo zouden mensen die diversiteit in de politiek toejuichen aangenaam verrast zijn door de toename van het aantal Kamerleden met een migratieachtergrond van 12 tot 17. Als je het hokje nader inspecteert zie je echter dat het om 9 Marokkaanse en 7 Turkse Nederlanders gaat. Het is de vraag of zij zwarte Nederlanders kunnen representeren.

Een parlement dat net als andere (publieke) instellingen en organisaties een betere afspiegeling van de samenleving vormt, is voor een groter deel van de bevolking herkenbaar. Dat draagt bij aan het vertrouwen in de politieke organen en het functioneren van de democratie. Parlementsleden met verschillende achtergronden kunnen onderwerpen en perspectieven inbrengen waar andere parlementsleden wellicht een blinde vlek voor hebben. En één van de blinde vlekken in de Nederlandse politiek en samenleving is de erfenis van het koloniale en het slavernijverleden in de vorm van structurele ongelijkheid en racisme. Juist in een periode waarin populistische en anti-immigratie sentimenten hoogtij vieren is het van belang om racisme prominent op de politieke agenda te zetten. Afro-Nederlandse politici zouden dit, naast hun andere gebieden van deskundigheid, door hun persoonlijke ervaring en verbinding met zwarte gemeenschappen kunnen bieden.

Je moet twee keer zo hard werken

Gloria Wekker schreef in haar boek White Innocence hoe het koloniale verleden nog dagelijks bedoeld en onbedoeld invloed heeft op ons denken en handelen. Onder meer door het denken in minder- en meerderwaardige culturen. De afgelopen jaren hebben politici deze manier van denken rijkelijk tentoongespreid met hun problematische obsessie met ‘de islam’. Hierdoor lijkt een ander onderdeel van hetzelfde probleem echter onzichtbaar gemaakt te worden, namelijk Afrofobie; de structurele ongelijke behandeling van Afro-Nederlanders én ongedocumenteerden.

Zo is het beeld ontstaan dat Surinaamse-Nederlanders wel goed geïntegreerd zijn. Paul Scheffer bevestigde dit beeld in zijn column op 1 april. Vorige maand publiceerde het Surinaams Inspraak Orgaan echter het rapport Je moet twee keer zo hard werken, waaruit bleek dat de werkloosheid onder Surinaamse-Nederlanders twee keer zo hoog ligt als bij witte Nederlanders – ondanks hun verbeterde positie in het onderwijs – mede als gevolg van arbeidsmarktdiscriminatie.

Een van de oorzaken van het verdwijnen van Afro-Nederlanders politici in de Tweede Kamer is volgens politicologen de relatief lage politieke participatie binnen zwarte gemeenschappen. Zo liggen de opkomstpercentages onder Surinaamse en Caribische Nederlanders het laagst binnen de grote migrantengroepen. Hoewel de opkomstpercentages in voorgaande verkiezingen tegenvielen kan niemand stellen dat zwarte Nederlanders de afgelopen jaren niet politiek actief geweest zijn. Met het debat over Zwarte Piet hebben ze duidelijk hun stem laten horen. Racisme, een onderwerp dat lang taboe is geweest, is weer op de agenda gezet. Ze zijn er echter onvoldoende in geslaagd om die proteststem te vertalen naar een stem in de Tweede Kamer. En politieke partijen zijn er onvoldoende in geslaagd dit deel van de bevolking een prominente plek te geven op de kieslijsten.

Het probleem is dan ook niet dat er meer aandacht is voor Turkse- en Marokkaanse-Nederlanders, het probleem is dat er nog steeds een structuur is waarin Nederlanders die niet wit zijn niet dezelfde kansen krijgen om zichzelf te ontplooien vanwege racisme. Omdat dit probleem de afgelopen jaren onvoldoende door gevestigde partijen is aangepakt zijn nieuwe partijen zoals Artikel 1 en Denk in het politieke gat in de markt gesprongen, voor een deel ten koste van de PvdA.

Afro-Nederlanders kunnen op 21 maart, de internationale dag tegen racisme en discriminatie, op lokaal niveau een herkansing krijgen om in de steden en wellicht enkele dorpen zichtbaar een stem en gezicht te krijgen in de politiek.