‘Die geheel witte cast van ‘Alles is liefde’ is gênant’

Diversiteit

Waarom moeten gekleurde Nederlandse acteurs zo hun best doen om typecasting te voorkomen?

Nasrdin Dchar: „Het personage van Marwan Kenzari [rechts] in Wolf is niet alleen een Marokkaanse crimineel, het is een gelaagde rol.”

Michael K. Williams is – behalve een fantastisch acteur – een zwarte man. Niet zo gek dus dat hij werd gevraagd voor de rol van gangster Omar Little in de HBO-serie The Wire, toch? Wie anders had die rol kunnen spelen? Een witte jongen? Nee. Maar moet Williams dan altijd een gangster spelen? Jong, oud of Southern, maar altijd gangster?

Dit is het gesprek dat de Afro-Amerikaanse acteur Williams voert met zichzelf in een filmpje met de titel Am I Typecast? Een antwoord komt er niet in de video die hij maakte voor het tijdschrift The Atlantic. Er worden vooral vragen opgeroepen.

Het witte Hollywood ligt momenteel onder een vergrootglas. Zwarte filmmakers boycotten in 2016 de uitreiking van de Oscars omdat er geen gekleurde acteurs waren onder de genomineerden via #OscarsSoWhite.

Ook in Nederland speelt de discussie. De meeste Nederlandse filmmakers lijken het erover eens dat er meer (culturele) diversiteit moet komen. Maar wordt er ook nagedacht over de rol van typecasting?

Niet meewerken aan stigma

„Ik heb als acteur niks te klagen, omdat ik daar altijd heel duidelijk in ben geweest”, zegt acteur en Gouden-Kalfwinnaar Nasrdin Dchar. „De clichérollen wil ik niet. Tenzij het verder gaat dan het cliché, maar dat gebeurt bijna nooit.” De reden dat de Marokkaans-Nederlandse acteur die rollen afwijst, is simpel: het is voor hem als acteur niet interessant genoeg. Dchar voelt ook een verantwoordelijkheid naar de Marokkaanse gemeenschap die toch al vaak negatief wordt geportretteerd. „Ik wil niet bijdragen aan het stigma dat er heerst. Natuurlijk komt er criminaliteit voor, dat verhaal mag worden verteld, maar dan op een manier die verder gaat dan het cliché. Kijk naar de rol van Marwan Kenzari in Wolf (2013). Dat is niet alleen een Marokkaanse crimineel, het is een gelaagd personage.

Dchar speelde een tijdje terug een rijke, witte zakenman. Daar was hij zelf blij mee, omdat hij geen Marokkaans personage hoefde te spelen, maar sommige Marokkaanse Nederlanders dachten daar anders over. „Ze zeiden: dit is het moment dat je juist een Marokkaan had moeten spelen. Er zijn toch ook Marokkaanse zakenmannen? Toen dacht ik: ‘Fuck, je doet het ook nooit goed.’”

Acteur Achmed Akkabi herkent de kritiek uit de Marokkaanse gemeenschap. „Ik zit er niet mee, maar er zijn acteurs die daar wel moeite mee hebben”, zegt hij. Akkabi ziet het taboe op homoseksualiteit, seks- en zoenscènes, als een van de oorzaken waarom er weinig Marokkaanse en Turkse Nederlanders in films te zien zijn. Zo speelde hij zelf tot vijf keer toe de rol van een homo. „Een acteur moet bereid zijn alles te spelen, anders wordt het voor een regisseur moeilijk om met je te werken.”

De vakkenvuller ontgroeid

De Marokkaans-Nederlandse Akkabi zette zelf zijn eerste stappen als acteur toen hij werd gevraagd voor de rol van Rachid de vakkenvuller in een reclamespotje van Albert Heijn. „Natuurlijk was dat typecasting. Maar zeg nou eerlijk, de meeste vakkenvullers zijn toch Marokkaans?” Bovendien, zegt de acteur, is hij dat soort rollen snel ontgroeid, omdat hij daartoe de kans kreeg en omdat hij het vak serieus nam. „Ik ben naar de toneelschool in Maastricht gegaan. In mijn schooljaar zaten toen twee donkere jongens. Gelukkig verandert dat nu, steeds meer verschillende jongeren melden zich aan.”

Dchar heeft een heel enkele keer met typecasting te maken. Zo sprak hij in 2015 een spotje in voor een ministerie. Toen de opname er eigenlijk op zat, werd hem gevraagd om „een allochtoons accent te doen”. „Daar was ik toen echt pissed over. Het ministerie bood excuses aan, maar het is me nooit duidelijk geworden wie dat nou had bedacht. De opdrachtgever, de regisseur, of het castingbureau?”

Tot zo’n zes jaar geleden waren er veel bi-culturele acteurs te zien in multiculturele films als Shouf Shouf Habibi (2004), Pizza Maffia (2011) en Schnitzelparadijs(2005). Dat genre is, tot groot verdriet van regisseur Tim Oliehoek die zelf Pizza Maffia maakte, verdwenen. „Door dat genre is een groep jonge Marokkaanse acteurs ontdekt die daarna in veel films heeft gespeeld.”

Dat die films draaiden op clichés en typecasting, vindt Oliehoek geen probleem. „Het genre comedy moet het daarvan hebben, van uitvergrote karakters. In een realistische speelfilm zou je iemand niet zo snel vragen met een Marokkaans accent te spelen, maar in een komedie kan het juist leuk zijn om dat dik aan te zetten.” Toch vindt Oliehoek het jammer dat een acteur die hij ooit als pizzakoerier castte sindsdien in producties vooral als pizzakoerier opduikt. „Hij heeft veel talent. Ik gun hem andere rollen.”

Ook Job Gosschalk, producent, scenarioschrijver en castingdirecteur van Kemna Casting, vindt typecasting geen probleem, mits er aan tegencasting wordt gedaan. „Ik vindt het onzin om geen Marokkaanse of Turkse taxichauffeur te casten. Die zijn er heel veel in Amsterdam. Waarom zou ik dat vermijden?” Maar een onverwachte keuze voor een rol maken, vindt hij ook belangrijk. Zo besloot hij een keer een jonge zwarte vrouw te casten toen hij opdracht kreeg een mannelijke arts met een geruststellende blik te vinden.

Kwaad op de castingdirecteur

Gosschalk zou dat nog veel vaker willen doen, maar volgens hem is het aanbod van acteurs te mager. „Een Turkse man of vrouw van boven de vijftig die een beetje kan acteren? Die vind je niet.” Onder jongeren is dat aanbod de afgelopen jaren wel groter geworden, maar voorheen was dat ook problematisch. „Die jongeren wilden liever advocaat of arts worden, dan er een spelen. De hoofdrolspeelster in Layla M.(2016) zat ook niet op de toneelschool, die is door regisseur Mijke de Jong zelf gevonden.”

„De woede van sommige gekleurde acteurs ten opzichte van castingdirecteuren vind ik misplaatst”, zegt Gosschalk. „Ik snap dat acteurs zich in de discussie over diversiteit in eerste instantie op ons richten; wij zijn degenen die hun vertellen dat ze het niet zijn geworden. Maar dat is onterecht. Wij doen er alles aan om meer diversiteit te krijgen. Maar daarbij blijft gelden: we kiezen de beste acteur voor de job.”

Bovendien, zegt Gosschalk, heeft het castingbureau het niet voor het zeggen. Producenten en regisseurs zijn in eerste en laatste instantie verantwoordelijk voor de samenstelling van de cast. „Ik merk de afgelopen drie jaren dat die steeds vaker vragen naar gekleurde acteurs, maar soms denken ze er gewoon niet aan.”

Gosschalk en producent Frans van Gestel overkwam dat zelf toen ze in 2007 kaskraker Alles is Liefde maakten, een film met een geheel witte cast. „Het kwam toen gewoon niet in ons op om naar andere acteurs te kijken. Dat is gênant. Nu ben ik daar veel meer mee bezig. Bij de volgende grote commerciële film die ik maak, wordt dat anders. Daar hebben we voor de hoofdrol een acteur van niet-Nederlandse komaf gevraagd. Gewoon omdat die de beste persoon voor die rol is”, zegt Van Gestel.

Nieuwe verhalen

Regisseur Tim Oliehoek bevestigt die verandering in de Nederlandse filmwereld. Hij merkt dat castingbureaus steeds vaker doen aan colorblindcasting. „Zonder dat ik erom vraag krijg ik vaak acteurs van allerlei achtergronden op auditie terwijl die rol voor een wit persoon is geschreven.”

Nasrdin Dchar kreeg op die manier de rol van een joodse man in oorlogsfilm Süskind. Hij en ook andere acteurs worden zo steeds vaker gevraagd voor personages met een andere afkomst. Maar als het gaat om periodefilms doet Gosschalk liever niet aan colorblindcasting. „Dat is gewoon raar, in de Tweede Wereldoorlog waren hier nog geen Turken en Marokkanen en Surinamers.”

Gosschalk denkt, net als Dchar en Akkabi, dat vooral nieuwe verhalen moeten worden verteld. Die kunnen geschreven worden door de huidige scenarioschrijvers, maar het beste door mensen van niet-Nederlandse komaf. „Als ik scenario’s schrijf, komen daar vaker homo’s en joden in voor dan bij andere scenarioschrijvers. Dat is niet zo gek, ik ben een joodse homo. Dat staat dicht bij me. Dat zal dus ook gelden voor het werk van gekleurde schrijvers.”